Wij willen een koning

Jezus2
De Heer is koning. Dat de aarde juichen. Monotoon en in koor zongen de joodse jongens in Babel op hun les deze psalm. Ze kenden de woorden uit hun hoofd. Vaak dachten ze er niet eens meer bij na. Maar vandaag juist voor hij naar huis wilde rennen bleef Jochai staan. De Heer is koning” herhaalde hij. , Dat is gek.” Wat is er gek? Vroeg Oeri nieuwsgierig. Hij bleef óók staan. Daar kom ik opeens vandaag op, mompelde Jochai. Moet je horen: De Heer is koning, dat staat er hé? De andere knikten. Nou hoe kan het dan dat we richters en koningen hebben gehad! Zei Jochai triomfantelijk, zo luid dat rabbi Jitri het goed hoorde. Jij bedoeld. begon rabbi Jitri. Hij lachte zowaar. Ik bedoel… zei Jochai ijverig, vond God dat dan zomaar goed? Hij was toch de koning? Zo is het bij ons altijd geweest. Wat moesten de richters dan? En de koningen die we allemaal gehad hebben? Salomo, Saul. En de beroemde David, hielp Oeri. Wat ik bedoel is: Vond God dat allemaal goed zei Jochai. Heeft Hij dan op een dag de macht opeens overgedragen? Aan richters, aan koningen, enfin aan wie dan ook? Hield Jochai vol. Ik kan je het wel uitleggen, zei rabbi Jitri. Er was eens een richter. Hij hete Samuel. Hij deed het heel goed en heel lang. Maar Samuel begon oud te worden. En hij stelde zijn beide zoons aan tot richters over Israël. Hun namen waren Joël en Abija. Die twee werden dus richters, in Bersjeba. Maar ze deden niet wat hun vader hen had voorgedaan. Ze dachten alleen maar aan zichzelf. Ze moesten eerlijk recht spreken, want een richter is immers een rechter. Maar ze namen cadeau’s aan. En de mensen die het meest betaalden die gaven ze gelijk. Zò lieten ze zich omkopen. Wat recht was en wat krom was, - hun zorg!- als ze maar goed aan verdienden! Zulk soort jongens waren dat, en het ging dan ook helemaal niet goed. Op een dag kwamen de oudsten van het land bijeen om hierover te spreken. Ze hielden een vergadering bij Samuel thuis, in Rama. En ze zeiden: Samuel, jij bent zelf nu erg oud geworden En we moeten het je maar eerlijk zeggen: je zonen doen niet wat jij hen hebt voorgedaan. Zo gaat het eigenlijk niet langer! Wij willen een échte koning als richter. Precies zoals dat bij de andere volken ook is. Allemaal hebben ze een koning. Alleen wij niet! En ze wachtten gespannen af wat Samuel daar wel op zou zeggen. Slecht werk dacht Samuel grimmig bij zichzelf, toen hij dat allemaal zo aanhoorde. Dom gepraat ook! Geef ons een koning om de leiding over ons te hebben. Toe maar! Samuel sprak met de Heer. Maar Hij zei: Luister naar hen. Luister naar alles wat ze te zeggen hebben. Jij hoeft het je niet aan te trekken. Samuel. Niet jou, maar mij hebben ze aan de kant gezet. Ik was hun koning! Vanaf de dag dat Ik ze uit Egypte helemaal hierheen heb gebracht aan toe keren ze mij de rug toe. Ze kijken mij niet meer aan. Ze luisteren naar de andere goden. En zo behandelen ze ook jou, Samuel. Stel je er maar niets meer van voor! Maar nu het eenmaal zo is, doe maar wat ze je vragen. Alleen je moet wel duidelijk maken wat het betekent om koning te hebben. En wat zo’n koning wel allemaal van hen verlangen. Al deze woorden van de Heer bracht Samuel aan het volk over. Hij zei: Jullie willen een koning? Best! Maar dan zul je toch eerst moeten weten wat een koning zal doen. Om te beginnen moeten jullie zonen in dienst. Hij zal ze nodig hebben om zijn gevechtswagens te bemannen, en op zijn paarden te rijden, die in optocht voor hem uit moeten gaan. En dan heb ik van ploegen van zijn land nog niet eens gesproken! En van het binnen halen van de oogst. En het smeden van oorlogstuig. Want dat werkmoet ook gebeuren. Jullie dochters zal die koning ook nodig hebben. Er moet worden gekookt en gebakken. En jullie land, je akkers, je velden en je wijngaarden, daar wil hij ook een gedeelte van hebben. Want zijn hofhouding en zijn soldaten moeten ook leven! En dan nog jullie knechten en dienstmeisjes, je runderen, en je ezels, jullie bokken en schapen – tien procent zal voer de koning zijn. Veel wat van jullie is, zal hij voor zichzelf gebruiken. Dat zal er allemaal gebeuren als je een koning hebt! En op een dag zullen jullie er schoon genoeg van hebben. Jullie zullen gaan jammeren, en hem kwijt willen. Maar op die dag zal de Heer geen antwoord geven! Het was of Samuel niet gesproken had! Het volk wilde eenvoudig niet luisteren. Een koning willen we, een koning net als de anderen, wij willen een koning. en dat zal hij allemaal doen: Hij zal ons leiden, onze koning. Voor ons rijdt hij, en voor ons vecht hij! Samuel hoorde al dat gepraat van zijn volk aan, hij gaf die woorden door aan de Heer. Maar Hij zei: Doe wat ze vragen, Samuel. Ze krijgen een koning! En Samuel zei tegen de mannen van Israël: Goed, ga maar terug naar je eigen stad. Een koning zullen jullie hebben!
Nu was er in de stam Benjamin een man, zijn naam was Kis, hij was een rijke boer. Hij had ook een zoon. Zijn naam was Saul. Dat betekent de verlangde. Hij was bijzonder knap om te zien. Zo’n knappe kerel vond je in heel Israël niet. Met kop en schouder stak hij boven alles uit! Op een keer waren er drie van de ezeltjes van Kis verdwenen, en Kis zei tegen zijn zoon: Ga jij ze eens zoeken Saul. Neem maar een van onze jonge knechten mee. Saul doorkruiste de bergen van Efraïm; hij door kruiste de hele provincie Sahalim, geen spoor! Ze door kruisten de provincie Jemen, maar nee hoor: niets! Tenslotte waren ze al helemaal in de provincie Zuf aan geland. Toen zei Saul tegen het knechtje dat bij hem was: Hoor eens, we gaan naar huis! Straks wordt mijn vader nog ongerust over ons, in plaats van over de ezelinnen. Goed, zei de jongen, maar weet u wel dat er in deze stad een man van God is? En een naam heeft. Alles wat hij zegt komt uit ook. Zouden we daar nog niet even langs gaan? Je kunt ’t niet weten; misschien vertelt hij ons wel op welke weg we dan wel moeten zijn! Goed, zei Saul, dat doen we. Maar wat geven we die man? Al het brood dat we bij ons hadden is op. En we hebben geen geschenken bij ons, die we zo’n man van God zouden kunnen geven. Ja, wat hebben we eigenlijk nog? Het knechtje woelde in zijn zakken. Toen zei hij: Kijk eens? Daar vind ik nog een zilvermuntstuk. Dat zal ik de man geven. Dan legt hij ons misschien uit hoe we moeten gaan. Goed gesproken jongen, zei Saul goedkeurend. Laten we gaan. En ze gingen de stad in waar die ziener moest wonen. , Een ziener? Onderbrak Jochai. Ja, wat we nu een profeet noemen, antwoordde rabbi Jitri en hij ging door met z’n verhaal: De stad lag op een hoogte, en terwijl zij klauterden kwamen ze een groep meisjes tegen die naar beneden kwamen om water te putten. Is de ziener er ook vroegen ze. Nou en of! Zeiden de meisjes. Ga maar gauw, want juist vandaag is hij in de stad aangekomen omdat het volk een feestmaal heeft daar boven op de heuvel. Als je vlug bent, nu meteen, dan tref je hem nog vòòr dat ook hij naar boven klimt, want hij moet het eten natuurlijk zegenen, eerder kunnen de gasten niet beginnen. Voortmaken, dan vind je hem wel! Snel gingen Saul en zijn knecht verder. Ze waren midden in de stad en kijk! Daar kwam Samuel hen tegemoet. Hij stond op de punt de heuvel te beklimmen. Nu had de Heer een dag vòòr Saul kwam dit tegen Samuel gezegd: Morgen om deze tijd stuur ik je een man uit het land Benjamin, en die moet je tot vorst over mijn volk zalven. Hij zal mijn volk bevrijden van de Filistijnen, want ik heb naar hun geschreeuw geluisterd, en noodkreten heb Ik gehoord. Toen Samuel zag sprak God tegen hem: Dit is hem, de man over wie ik sprak. Hij zal mijn volk met zorg leiden. Midden op het plein voor de poort liep Saul op de oude man toe en zei: Weet u het huis van de ziener soms? Samuel zei: De ziener? Dat ben ik! Ga maar voor me uit, de heuvel op, want vandaag eten jullie bij mij. Morgen stuur ik je wel verder, en alles waar je mee bezig bent, dat zal ik je uitleggen. Maar aan die ezeltjes die nu precies drie dagen weg zijn, dááraan hoef je niet meer te denken, Saul want die zijn gevonden. Ik zal jou wel vertellen waar jij van nu af aan je gedachten op moet richten. Want, wat verlangen alle mensen van Israël zo vurig? Waar gaat hun hele hart naar uit? Naar jou! En je hele familie! Vol verbazing keek Saul de oude man aan. Hij begreep er niets van! Wat bedoelde de ziener? Hoor eens, mompelde hij, verlegen, ik ben er gewoon van een Benjamin, de allerkleinste stam die er is. En in die stam is mijn familie dan nog een van de kleinste! Waarom praat u zo tegen mij? Samuel nam Saul zijn knecht mee naar het feestvertrek. Daar gaf hij Saul de ere plaats, aan het hoofd van de tafel. Er zaten wel dertig man aan! Samuel zei tegen de chef kok: Geef het stuk vlees eens, dat je voor mij apart zou leggen. En de kok haalde het, legde het voor Saul neer. Samuel zei: Dit is de ere schotel, die altijd gereserveerd wordt voor de gastheer. Hij is speciaal voor jou bewaard. Dan kan jij zeggen: Ik heb het volk uitgenodigd als mijn gasten. Zo zat Saul daar op die dag naast Samuel aan tafel! Toen het avond werd daalde ze de heuvel af, terug naar de stad. En Samuel liet voor Saul een slaapplaats klaarmaken op het dak.
Ingezonden door Suzan de Boe.

DE EERSTE CHRISTEN VERVOLGING

DE EERSTE CHRISTEN VERVOLGING.
url
De straf had niet geholpen. Het Christusgeloof verbreide zich als een lopend vuur, vooral in de arme wijken, maar toch ook in de bovenstad. Er waren zelfs priesters tot geloof in Jezus gekomen. Vooral vond het gehoor bij de buitenlandse Joden. Velen van hen hadden in Jeruzalem een huis gekocht om hun oude dag door te brengen en een stukje grond buiten de stad om later bij de heilige stad te worden begraven. Ze hadden in Jeruzalem hun eigen synagogen, waar Grieks werd gesproken, de synagogen b.v. van de Joden uit Alexandrië in Egypte of van de vrijgelaten Joodse slaven uit Rome. Bij zo’n synagoge was ook een herberg met badhuis, zodat pelgrims uit hun stad of provincie tijdens de grote feesten daar konden overnachten. Nu waren er al veel van die buitenlandse Joden overgegaan naar dat Christusgeloof. Zelfs werd er al verteld, dat sommigen hun stukje grond verkochten, en het geld daarvoor gaven aan de arme broeders in de Christusgemeente. Eén van hun rabbi’s Stephanis, verkondigde al in, dat Jezus de lang verwachte Christus was. Bij deze Joden die toch al minder streng aan de wetten vasthielden omdat zij in vreemde landen midden tussen de heidenen hadden gewoond, zagen de leiders van Israël de grootse gevaren. Stel je voor dat dit Christusgeloof in de hele wereld zou aantasten, in Klein-Azië, Griekenland, Egypte, Italië.. de leiders in Jeruzalem moesten toch als herders waken over de kudde, verstrooid over de wereld. Nu was er een jonge Farizeeër, Saul van Tarsus in Klein-Azië, een felle bestrijder van de nieuwe leer, die ongerust naar de hogepriester ging en zei: “We moeten dit vuur uittrappen voordat het zich verspreid. Ik ben het niet eens met mijn leermeester Gamaliël, hij is veel verdraagzaam. Uitroeien moeten we dit kwaad, voordat het te laat is! Saul was al met zijn vijfde jaar in Jeruzalem komen studeren aan de rabbijnen school. Als één van de ijverigste leerlingen had hij aan de voeten van de grote rabbijn Gamaliël gezeten. Hoeveel wetten en teksten hij wel niet uit zijn hoofd kon opzeggen! Zijn hoogste doel was om volmaakt te worden in het houden van enkele gebeden en geen enkele fout meer te maken.

Hij ging er helemaal in op. Daarom was hij ook zo fanatiek zodra er maar iets gebeurde, dat afweek van de Joodse wet. Omdat het geloof van Israël een wetsgodsdienst was geworden, hoorde bij de synagoge ook een strafkamer. Zij, die door de rechters veroordeeld, omdat ze de wet hadden overtreden, kregen soms van de synagoge dienaar de viertig-min-één slagen. Nu gaf de hogepriester aan Saul de opdracht om zoveel mogelijk te weten te komen over die Nazareners, - zo werden ze genoemd naar de stad Nazareth, waar Jezus vandaan kwam. Wat ze deden op de eerste dag der week samenkwamen, wat dat voor maaltijden waren, hoe ze de mensen doopten, of ze hun offers brachten, of ze baden tot die Jeshua alsof het een God was, of ze zich nog aan de Joodse wetten hielden. Saul ging aan het werk. Hij vroeg de mensen uit, in welke huizen de Nazareners samen kwamen, wie erbij hoorden, maar hij had ook spionnen. Omdat hij zelf tentenwever was, hoorde hij bij de wevers in de Kidronvallei, dat vooral de armen uit de benedenstad erbij hoorden. Nu ze hun wekelijkse steun niet meer krijgen in de synagogen, helpen de Nazareners elkaar. Iedere dag wordt er bij hun voedsel uitgedeeld. Stephanus is aangesteld als één van de zeven armverzorgers of diaken. Omdat Saul merkte, dat telkens de naam Stephanus werd genoemd, de wijze Stephanus, de Stephanus die zoveel krachten deed, de Stephanus die zo goed kon spreken en disputeren, de man vol geloof en de Heilige Geest, zoals de Nazareners zeiden.. hoopte hij dat hij hem kon aanbrengen bij de Joodse rechtbank. Wacht maar. Als hij het zou durven om ook in onze synagoge te komen! Op een sabbat, toen de rabbi Saul in zijn synagoge sprak merkte hij op dat er ditmaal veel vreemde gezichten waren. Saul, de kleine man zat in de stoel van Mozes raakte in vuur onder het spreken, sprak met wilde gebaren: Mozes heeft de wet van God gegeven al wie die wet veracht, die zij vervloekt! Wee hem, die het waagt om een mens of wat dan ook ter wereld hoger te stellen dan de wet. Er kwam een stem uit de dicht opeen gepakte menigte. Het was de stem van Stephanus.

Hij liep naar voren beklom de verhoging en begon met rabbi Saul te redetwisten: behalve de wet zijn er ook profeten, die het Woord van God hebben doorgegeven? Hebben zij niet voor zegt, dat de Christus komen zou en dat Hij anders zou zijn dan de mens verwachten? Jesaja voorspelde dat hij als een onschuldig lam zou lijden. Jezus van Nazareth, Hij is de Christus. Hij is meer dan de wet en meer dan de tempel. Saul gaf zijn helpers een wenk, het waren zijn spionnen, die nu als getuigen konden dienen voor wat Stephanus gezegd had. Zij begonnen te roepen, dat Stephanus zwijgen moest toch zijn er dan altijd wel mensen die mee gaan roepen. Zij sleurden Stephanus van het podium en hij werd naar buiten geduwd, naar het paleis van de hogepriester. Alweer een verhoor, zoals bij Jezus en bij Johannes.. De twee getuigen zeiden: deze man heeft kwaad gesproken van de wet en de heilige tempel. Stephanus nam het woord en zijn gezicht straalde als dat van een engel: wie van de profeten zijn door uw voorvaderen niet vervolgd? In uw hart zijt gij zelf heidenen. Gij verzet u tegen de Heilige Geest en ge hebt de rechtvaardige Jezus verraden en laten vermoorde. Toen zij dit hoorden, sneed hun ziel en zij knarsetanden van woede. Stephanus keek omhoog en zei: Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staat er rechterhand Gods. Hem is de koningsmacht gegeven. Luid begonnen allen te schreeuwen en zij stopten hun vingers in hun oren om niet nog meer van zulke dingen te horen, stormden op hem los, wierpen hem de stad uit en wilden hem laten stenigen. De twee getuigen deden hun mantels uit en legde die aan de voeten van rabbi Saul. Zij wierpen de eerste stenen. Stephanus riep: Heer, vergeef het hun. Heer Jezus ontvang mijn geest. Zo stierf hij voor zijn Heer. Hij, Stephanus was de eerste martelaar. Voor een gestenigde mocht geen rouw klacht worden gezongen, maar vrome Joden die niet instemde met de terechtstelling zorgde voor een begrafenis en lieten vrouwen luid weeklagen om Stephanus. Het was niet gegaan volgens de Joodse wet. De razernij was sterker geweest dan het recht. Saul die woonde in het huis van zijn zuster kon die nacht niet slapen.

Telkens zag hij het gezicht van Stephanus voor zich.. Was het niet of hij blij was geweest om voor Jezus te sterven..? Met een ruk keerde Saul zich weer op zijn matras en begroef zijn gezicht in zijn mantel, die hem tot een deken diende, om de ogen van Stephanus niet te zien. De blik vervolgde hem. Midden in de nacht stond Saul op. Hij liep heen en weer over de binnen plaats, het trapje op naar het platte dak. Jeruzalem sliep, de heilige stad, de stad van David.. hier werden Gods heiligdom en de wetten van Mozes bewaakt. Saul wilde zijn leven geven om het ware geloof van Israël te redden. De stad moest gezuiverd worden het verkeerde geloof uitgeroeid, de hele groep Nazareners uit elkaar geslagen. Hij zou ze dwingen omdat geloof af te zweren.. Zo ontstond er in die dagen in Jeruzalem een zware vervolging tegen allen, die in Jezus geloofden. Vele vluchten de stad uit, de Jordaan over, anderen naar Samaria, en Galilea en verder nog buiten de grenzen. Saul droeg bij zich een bewijs van de hogepriester, dat hij de macht had mensen te arresteren. Met mannen van de tempel politie liep hij de stad door, doorzocht de huizen, waar de Jezus volgelingen woonden of bijeen waren, sleurden mannen en vrouwen mee en lieten hun opsluiten in de kerkers van de synagogen of van de tempel. In één dag werd rabbi Saul berucht en gevreesd in Jeruzalem. Zelfs was hij er soms bij, als de gevangenen werden gegeseld totdat ze uit riepen, dat zij niet meer in Jezus geloofden, maar de meesten onder gingen de slagen zwijgend, want zij wilden hun Heer niet verloochenen. Maar terwijl Saul en zijn mannen bezig waren dit geloof in Jeruzalem te vernietigen brachten de gevluchte tot over de grenzen de blijde boodschap mee, dat Jezus van Nazareth de lang verwachte Christus was.
Ingezonden door Suzan de Boe.

Toen kwam de Geest van God

Toen kwam de Geest van God.
Zeven weken sinds het Paschafeest waren voorbij gegaan. Het werd warmer, en warmer, ook in de bergstad Jeruzalem. Het koren in Israël was rijp geworden, de velden waren wit om te oogsten. Slaat de sikkel erin, want de oogst is rijp, klonk het overal op het land. Pelgrims weer naar Jeruzalem om de eerstelingen van de oogst in feestelijke optocht te brengen naar de tempel. Van de eerste tarwe werden de pinksterbroden gebakken. De mensen die bij Jezus hoorden waren in Jeruzalem gebleven, want daar verwachtten zij grote dingen. God had aan Jezus Koninklijke macht gegeven. Hem tot Messias gemaakt. Nu wachtten zij op wat komen ging. Zou Hij soms op de wolken uit de hemel neerdalen als Koning van de wereld? Zou Hij komen met hemelse legerscharen van engelen om het Rijk van God in Israël te vestigen? Wat hadden de profeten gezegd? Geregeld kwamen zij in een bovenzaal bijeen. Men denkt dat dat de zelfde zaal was, waar Jezus zijn laatste avondmaal gevierd had, ergens op de hoogste verdieping van een huis op de berg Sion. Zij baden eendrachtig dag in dag uit om de komst van het Koninkrijk. Ook braken zij het brood en dronken uit de beker wijn, zoals Jezus hen gezegd had: doet dit tot mijn gedachtenis. Zo herdachten zij, dat Hij voor hen was gestorven en beleefden zij, dat Hij toch dichtbij was en idder ogenblik verwachtten zij, dat Hij terug zal komen. Wij breken het brood en drinken van de wijn totdat Hij komt, zeiden zij. Maranatha, onze Heer, kom!
url


Toen de Pinksterdag aanbrak waren allen in de vroege morgen bijeen. Eensklaps kwam er uit de hemel een gedruis als van een hevige wind en vulde het hele huis waar zij zaten. Tegelijkertijd zagen zij het licht van Gods heerlijkheid als een zwerm witte duiven of meer nog, zoals vuur zich verdeelt in de tongen, op allen neerdalen. Zo kwam het op ieder van hen en allen werden vervuld met de Heilige Geest en begonnen te juichen. Zij waren zo buiten zichzelf, dat er al spoedig een menigte van de straat te hoop liep. De binnenplaats vulden zich met nieuwsgierigen die wilden zien wat er aan de hand was. Steeds meer mensen kwamen aan lopen. Wat is dat voor alarm op de berg Sion? Was het bazuingeschal? Ik hoorde een gedruis als van een groot leger, zei een ander. Nee, het leek het suizen van een storm. Boven in de zaal waren wel honderd mensen luid aan het juichen en roepen. Sommige voorbijgangers die beneden stonden hoorden niets dan onverstaanbare klanken. Ze hebben te veel zoete wijn gehad! Spotten zij. Anderen die beneden stonden werden gegrepen door dezelfde Geest en verwonderden zich. Het zijn toch die Galileeërs. Hoe kunnen wij zo goed verstaan wat ze zeggen, we horen hen in onze eigen taal de grote daden van God vertellen. Toen trad Petrus met de andere apostelen naar buiten en sprak met luidde stem: Gij Joden uit verre landen en gij, inwoners van Jeruzalem. De mensen zijn niet dronken, want het is nog maar negen uur in de ochtend. Wat ge hebt gehoord, dat was de wind uit het paradijs, de adem van God, die ons het eeuwige leven in blaast. Wij dachten, dat Christus die door de mensen is verworpen, dood was en de wereld nu verloren, maar God heeft ons dit teken van leven gegeven. Hij heeft het de wereld vergeven en wil met zijn Heiligen Geest bij ons wonen op aarde. Diep getroffen hoorden allen dit aan en vroegen: Wat moeten wij doen? Petrus antwoordde: Gelooft, dat Jezus Christus is en dat alle kwaad dat ge God hebt aangedaan u is vergeven. Dan zult ge ook de Heilige Geest ontvangen. Laat u dopen in de naam van Christus. Op die dag kwamen vele mensen tot geloof en zij wilden er ook bij horen. Ze werden wel gedoopt met water, maar de doop met de Heilige Geest van God, daar ging het om. Op dit feest van de oogst, Pinksteren, waren velen rijp voor het Koninkrijk van God. Het was de geboorte dag van de kerk, dat is de gemeenschap van allen, die bij Christus horen. Zo was het koninkrijk van God dichtbij gekomen, maar heel anders dan de mensen hadden gedacht. Niet door de hemelse legermacht. Maar het begon in de harten van de mensen, onzichtbaar. Het zaad van Gods Woord ging nu groeien. Zijn kracht dreef hen de wereld in. Let maar op, dat ze niet op de berg Sion op Gods Rijk bleven wachtten. Maar naar verre landden werden gezonden door de Heilige Geest.
Ingezonden door Suzan de Boe.

Toen de Haan kraaide

Toen de Haan kraaide.DSC00192_360x273.JPG
Simon Petrus was de hof in gevlucht om zijn eigen leven te redden. Hij had zich bevend van schrik verstopt achter de struiken. De anderen waren over de muur geklommen en verdwenen in de richting van Bethanië. Toen Petrus het geluid van marcherende voetstappen hoorde weg sterven sloop hij uit zijn schuilplaats. Ze waren al beneden vlakbij de brug. Om voor die ene weerloze man zo’n politiemacht te laten uitrukken. Ach, nu was zijn Heer gevangen. Waar zouden ze hem heen brengen? Toen ze even uit het gezicht waren holde Petrus de berg af. Nu klommen ze de trappen op naar de stadspoort. In grote ontsteltenis volgde hij de stoet van verre. Als het aan hem gelegen had zou hij wel zijn meester verdedigd hebben. Waarom had God geen legermacht van engelen gezonden om zijn geliefde Mensenzoon te redden? Wat zou er van komen? Zou het op het laatste ogenblik nog een wonder gebeuren? Daar gingen ze in de richting van de bovenstad. Zij leidden Jezus naar het paleis van de hoge priester. Petrus zag hun door de poort naar binnen gaan. O, kon hij er maar bij zijn om te zien wat ze met Hem deden. Zou hij nu nooit meer met zijn Heer kunnen praten? Hij bleef buiten staan. Er ging nog iemand naar binnen. Deze zag Petrus staan en herkende hem, want vaak had deze man naar Jezus geluisterd in de tempel. Hij was een bekende van de hogepriester. Hij sprak met de portierster en wenkte Petrus, dat hij naar binnen mocht. Op de binnenplaats was het donker. Niemand zou hem opmerken. Hij bleef staan in de galerij. Hier zou hij wachten om te kijken, hoe het zou aflopen. Misschien zat Jezus nu in de onderaardse kelder. In het midden van de binnenplaats brandde een vuur. De nacht was kil. De tempel knechten zaten bij het vuur en praten met enkele slavinnen. Nu en dan ving Petrus het woord “Jeshua” op. Telkens kwamen er heren binnen door de poort en gingen door een deur het paleis in. Petrus was bang op gemerkt te worden. Misschien was het toch beter om maar gewoon bij het vuur te gaan staan, dat viel niet zo op. Hij had het ook koud gekregen. Hij slenterde in de richting van het vuur. Niemand lette op hem. Ze waren druk in het gesprek. Nu kon Petrus ook beter horen wat ze bespraken. Hij hurkte neer en hield zijn handen bij het vuur. Telkens keek hij omhoog naar de venster van het paleis, die verlicht waren. Er bewogen toortsen langs de boven galerij. Ineens keek een slavin naar hem zijn gezicht werd verlicht door het flakkerende vuur en ze riep uit: Kijk, jij was toch ook met deze Jeshua de Galileër! Allen keken naar Petrus. Hij schrok en zei: Ik weet niet waar je het over hebt. Toen een ander weer begon met een nieuw verhaal over Malchus de knecht van de hogepriester hem was zo maar een oor afgeslagen door èèn van zijn aanhangers en die Jeshua raakte zijn oor aan en het was weer heel, Petrus stond op en liep terug naar het poortgebouw. Daar brandde meer een flauw licht en het was dichtbij de uitgang, als er iets zou gebeuren, kon hij zo de vensters van het paleis in het oog houden. Daar kwamen weer voorname mannen binnen. Dit is Eliëzer, de zoon van Annas, met Jochanan, de opperschatbewaarder van de tempel, hoorde hij zeggen. Het is alsof alle tempelheren hier vannacht wezen moeten. Ze zeggen dat de gevangene al verhoord is door de oude Annas. Nu, dan kon hij wraak nemen voor het omverwerpen van zijn tempelbazars! Nooit heeft iemand dat toch maar gedurfd! En Petrus luisterde, wachtte, keek en wachtte, en de minuten leken een lange duistere eeuwigheid.

Toen kwamen de portierster naar hem toe en zei tegen de mannen die erbij stonden: Kijk deze was met Jezus de Nazarener. Petrus schreeuwde het haast uit: Ik zweer je dat ik die man niet ken! De sterren begonnen al te verbleken, de dag was niet ver meer. Petrus waagde zich weer even op de binnenplaats. Toen kwam er een knecht van het paleis op hem af, hij was familie van Malchus en hij zei: Ik heb je met hem gezien in de hof bij de olijfpers. Waarachtig, je bent één van hen, we hoorden het aan je Galilees dialect. Je spraak verraad je. Petrus begon in doodangst te vloeken en te zweren: Ik ken die man niet, ik heb er niets mee te maken. In de verte kraaide een haan. De morgen brak aan. Plotseling herinnerde Petrus zich, wat Jezus had gezegd had. En hij ging de poort uit en begon bitter te huilen. Jezus, was uit de gevangenis naar boven gebracht. Eerst had de schoonvader van de hogepriester, Annas hem uitgehoord over zijn volgelingen en zijn leer en toen werd hij naar binnen geleid in de grote zaal van het paleis. De Hoge Raad in de korte tijd voor ’t feest geen proces meer voeren. Annas en Kajafas hadden een complot gesmeed en Pilatus, de Romeinse stadhouder, al laten weten dat hij vroeg in de morgen een arrestant verwachtten kon die veel onrust onder het volk teweegbracht en daarom beter uit de weg geruimd kon worden. Omdat de Joodse Hoge Raad ’s nachts niet opgeroepen kon worden, had Kajafas alleen enkele leden in dit nachtelijke uur laten komen, want er zou een voor onderzoek plaats vinden in zijn paleis. In het midden zat Joseph Kajafas, hij was de hogepriester, de kohen gadol en zat als voorzitter van de vergadering op een marmeren zetel. Naast hem zat Annas die met een spottend lachje toekeek, toen de beklaagde werd binnen gebracht. Een beklaagde moest verschijnen als een rouw, met gescheurde kleren en met gebogen hoofd, maar deze had zijn hoofd niet gebogen, hij keek recht voor zich uit. Zo was dan eindelijk deze vogel gevangen in hun netten. Annas leunde tevreden achterover. In een halve cirkel hadden de andere raadslieden plaats genomen, meest leden van de priester partij. Links en rechts zat een schrijver met een leitje van was voor zich om het verhoor op te schrijven. Het ging erom dat allen overtuigd zouden worden dat deze Jeshua uit Galilea de dood verdiende. Laat de eerste binnen komen, zei de hogepriester. Er kwam een man binnen, die vertelde wat Jezus zou hebben gezegd of had gedaan. Pas als twee getuigen het zelfde beweerden was hun getuigenis geldig. De één na de ander kwam binnen maar de één zei dit en de ander dat en hun getuigenis stemde niet overeen. Jezus, stond doodstil en keek recht voor zich uit Hij zweeg als een lam. Er kwam een man binnen die zei: We hebben hem horen zeggen: Ik kan deze tempel die door mensen handen is gemaakt, afbreken en in drie dagen een nieuwe tempel, niet door mensen is gemaakt bouwen. Toen stond Joseph Kajafas op van zijn zetel, kwam naar voren tot vlakbij Jezus, die daar stond in een majesteitelijke rust, om hem van zijn stuk te brengen, en aan het praten te krijgen. Hij zei spottend: Waarom antwoord ge niets? Hoort ge dan niet wat al deze mensen tegen U getuigen? Maar Jezus bleef zwijgen en antwoorde niets. Het verhoor dreigde te mislukken.
Ingezonden door Suzan de Boe.

Kleurplaat:
url

GEEN HINDERNIS TE GROOT.

GEEN HINDERNIS TE GROOT.

imgres
Een van die dagen gebeurde het net dat een melaatse man naar Hem toeliep. De menigte week voor hem uit, want hij kwam recht op Jezus aan Melaatsen moesten immers ver van de mensen leven, buiten de muren van de stad, al mochten zij wel in dorpen komen. Men zorgde op de weg op minstens een paar meter afstand van hen te blijven en als de wind uit hun richting kwam, bleef men nog verder uit de buurt. Soms wierpen mensen hen met stenen om hen op een afstand te houden. Eens wilde een Rabbi in een winkel niets kopen, omdat in die straat een melaatse was. Ze dachten dat het slechte mensen waren, door God met die ziekte gestraft. Op straat moesten de melaatsen zelf waarschuwen en roepen: Onrein! Onrein! Dat betekent dat niemand met hun in contact mocht komen, dat ze taboe waren. Stel je voor dat men zo iemand zou aanraken. Niet zozeer omdat men bang was voor een besmettelijke ziekte, maar meer omdat voor de strenge Joden de melaatsen een teken was van het kwade en van de dood. Als in rouw moesten ze zich gedragen, met gescheurde kleren en loshangend haar. Zij waren de uitgestotenen, de schande van Israël. Zo belangrijk was dit voor de Joden, dat er apart vertrek was bij de tempelvoorhof, waar hij die genezen was van de melaatsheid, moest komen om zich rein te laten verklaren door de priester. Twee vogeltjes moest zo iemand kopen, waarvan er één werd geofferd. De andere vogel mocht weg vliegen in de vrijheid van de wijde lucht. Zo werd de genezen melaatse ook vrij en mocht hij weer gaan en komen waar hij wilde. Daar kwam dus de melaatse naar Jezus toe, zijn toevlucht. De ongelukkige viel op een afstand voor Hem op de knieën en riep smekend: In dien u wilt, kunt Gij mij reinigen. Met barmhartigheid bewogen kwam Jezus bij hem, strekte zijn hand uit, raakte hem aan en zei tot hem: Ik wil het, word rein! En terstond verliet hem de melaatsheid. Jezus, gaf hem een strenge vermaning mee: Ge moogt aan niemand vertellen wat er gebeurd is, maar ga naar de tempel, toon u aan de priester en offer voor de reiniging wat er in de wet van Mozes staat. Zo zond Jezus hem als een getuige naar de tempel. De genezen man kon het niet laten om aan de eerste de beste voorbijganger te vertellen wat er gebeurd was en het overal in de omtrek telkens weer ruchtbaar te maken, zodat Jezus niet meer openlijk de stad kon binnenkomen zonder door nieuwsgierig opdringen de menigte omstuwd te worden. Daarom bleef Hij in de bergen en hield zich op in eenzame plaatsen. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe. Toen Hij weer in Kapernaüm gekomen was, hoorde men enige dagen later dat Hij thuis was. Het gerucht ging op de markt van de een na de ander en daar kwamen de mensen haastig uit huis weggelopen, nieuwsgierig om weer een wonder te zien. Ze treuzelden eerst voor het poortje, praten met elkaar, liepen langzaam de binnenplaats op en toen enkelen binnen waren, durfden de anderen ook. Het werd voller en voller, zò dat men elkaar opzij duwde en naar voren drong. Plotseling week de menigte uiteen, men boog, want daar kwamen een paar schrift geleerden, die door de poortjes naar binnen wilden. Rabbi’s op bezoek bij Jezus van Nazareth! Wie achter aan stond, ging op zijn tenen staan om goed te zien, hoe Jezus de Rabbi’s begroete. Zij mochten op de bank zitten onder de galerij. De schrift geleerden waren gekomen, omdat ze graag wilde weten wat Jezus deed. Het was de laatste tijd veel besproken in de raadskamer van de synagoge. Men had het gevoel dat hij veel meer invloed had dan een gewone prediker, het volk liep hem achterna en hij deed vreemde dingen. Hield hij zich wel precies aan de wet? Toen begon Jezus te spreken. Hij stond met zijn rug naar de schrift geleerden en richtte zich tot de mensen, die hongerig stonde te luisteren Ze vergaten helemaal dat ze uit nieuwsgierigheid gekomen waren en dat ze zich bijna niet konden verroeren, zo dicht stonden ze op elkaar gepakt. Hij bracht hen zijn woord naar een andere wereld van Gods kracht en heerlijkheid. Steeds meer mensen kwamen en proberen zich naar binnen te dringen, maar het ging niet meer. Ze moesten op straat blijven staan en konden niets horen. Toen zagen ze vier mannen aankomen, die op een matras een verlamde droegen. Sinds jaren kon die man niet meer lopen. Ze waren op weg naar Jezus. Met hen, die op straat stonden werd er overlegd hoe ze binnen konden komen, maar niemand op de binnenplaats week ook maar een duimbreedte opzij. Wie wilde er nu weg? De verlamde man had al zijn hoop gesteld op dit ogenblik. Hij had gehoord dat Jezus thuis was. Nu hadden ze hem erheen gedragen. Hij kon niet meer wachten. Nu terug naar huis gaan leek hem een terugkeer naar een grotere duisternis dan ooit te voren. Kon niemand hem nu helpen? Breng mij naar Jeshua! Riep hij schor. Zijn dragers legden hem op straat neer en bespraken wat ze doen zouden. Toen namen zij de matras en gingen het trapje op dat naar het dak leidde boven de plek, waar Jezus onder de galerij stond, en lieten de verlamde met de matras naar beneden zakken. Daar lag hij nu, vlakbij Jezus. Jezus, zag hun geloof en zei tot de verlamde: Kind, wat u God hebt aan gedaan, Uw zonde is U vergeven. De mensen die achteraan stonden strekten hun hals uit om te zien of de man al beter was geworden en de mannen op het dak gluurden door de opening of er al iets gebeurd was. De schrift geleerden keken elkaar aan en fluisterden: Hoort U, wat hij voor godslasterlijke dingen zegt, want wie kan zonden vergeven dan alleen God zelf? Zoiets mag een mens toch niet zeggen. Hij stelt zich in de plaats van God! Jezus, wist wat rabbi’s dachten en zei: Waarom denkt u deze dingen in uw hart? Wat is gemakkelijker te zeggen: Uw zonden zijn U vergeven, of Sta op en wandel? Maar omdat u moogt weten dat de Mensenzoon macht geeft op aarde te vergeven. Zal ik zeggen tot de verlamde: Neem uw matras op en ga naar huis. En de man stond op nam terstond zijn matras op - weken de mensen uiteen, als voor een heilige- en zij zagen hem naar buiten lopen. Allen die er bij stonden waren ontsteld, zij verheerlijkten God en zeiden: Zo iets hebben we nog nooit gezien!
Ingezonden door Suzan de Boe.
.