DE EERSTE CHRISTEN VERVOLGING

DE EERSTE CHRISTEN VERVOLGING.
url
De straf had niet geholpen. Het Christusgeloof verbreide zich als een lopend vuur, vooral in de arme wijken, maar toch ook in de bovenstad. Er waren zelfs priesters tot geloof in Jezus gekomen. Vooral vond het gehoor bij de buitenlandse Joden. Velen van hen hadden in Jeruzalem een huis gekocht om hun oude dag door te brengen en een stukje grond buiten de stad om later bij de heilige stad te worden begraven. Ze hadden in Jeruzalem hun eigen synagogen, waar Grieks werd gesproken, de synagogen b.v. van de Joden uit Alexandrië in Egypte of van de vrijgelaten Joodse slaven uit Rome. Bij zo’n synagoge was ook een herberg met badhuis, zodat pelgrims uit hun stad of provincie tijdens de grote feesten daar konden overnachten. Nu waren er al veel van die buitenlandse Joden overgegaan naar dat Christusgeloof. Zelfs werd er al verteld, dat sommigen hun stukje grond verkochten, en het geld daarvoor gaven aan de arme broeders in de Christusgemeente. Eén van hun rabbi’s Stephanis, verkondigde al in, dat Jezus de lang verwachte Christus was. Bij deze Joden die toch al minder streng aan de wetten vasthielden omdat zij in vreemde landen midden tussen de heidenen hadden gewoond, zagen de leiders van Israël de grootse gevaren. Stel je voor dat dit Christusgeloof in de hele wereld zou aantasten, in Klein-Azië, Griekenland, Egypte, Italië.. de leiders in Jeruzalem moesten toch als herders waken over de kudde, verstrooid over de wereld. Nu was er een jonge Farizeeër, Saul van Tarsus in Klein-Azië, een felle bestrijder van de nieuwe leer, die ongerust naar de hogepriester ging en zei: “We moeten dit vuur uittrappen voordat het zich verspreid. Ik ben het niet eens met mijn leermeester Gamaliël, hij is veel verdraagzaam. Uitroeien moeten we dit kwaad, voordat het te laat is! Saul was al met zijn vijfde jaar in Jeruzalem komen studeren aan de rabbijnen school. Als één van de ijverigste leerlingen had hij aan de voeten van de grote rabbijn Gamaliël gezeten. Hoeveel wetten en teksten hij wel niet uit zijn hoofd kon opzeggen! Zijn hoogste doel was om volmaakt te worden in het houden van enkele gebeden en geen enkele fout meer te maken.

Hij ging er helemaal in op. Daarom was hij ook zo fanatiek zodra er maar iets gebeurde, dat afweek van de Joodse wet. Omdat het geloof van Israël een wetsgodsdienst was geworden, hoorde bij de synagoge ook een strafkamer. Zij, die door de rechters veroordeeld, omdat ze de wet hadden overtreden, kregen soms van de synagoge dienaar de viertig-min-één slagen. Nu gaf de hogepriester aan Saul de opdracht om zoveel mogelijk te weten te komen over die Nazareners, - zo werden ze genoemd naar de stad Nazareth, waar Jezus vandaan kwam. Wat ze deden op de eerste dag der week samenkwamen, wat dat voor maaltijden waren, hoe ze de mensen doopten, of ze hun offers brachten, of ze baden tot die Jeshua alsof het een God was, of ze zich nog aan de Joodse wetten hielden. Saul ging aan het werk. Hij vroeg de mensen uit, in welke huizen de Nazareners samen kwamen, wie erbij hoorden, maar hij had ook spionnen. Omdat hij zelf tentenwever was, hoorde hij bij de wevers in de Kidronvallei, dat vooral de armen uit de benedenstad erbij hoorden. Nu ze hun wekelijkse steun niet meer krijgen in de synagogen, helpen de Nazareners elkaar. Iedere dag wordt er bij hun voedsel uitgedeeld. Stephanus is aangesteld als één van de zeven armverzorgers of diaken. Omdat Saul merkte, dat telkens de naam Stephanus werd genoemd, de wijze Stephanus, de Stephanus die zoveel krachten deed, de Stephanus die zo goed kon spreken en disputeren, de man vol geloof en de Heilige Geest, zoals de Nazareners zeiden.. hoopte hij dat hij hem kon aanbrengen bij de Joodse rechtbank. Wacht maar. Als hij het zou durven om ook in onze synagoge te komen! Op een sabbat, toen de rabbi Saul in zijn synagoge sprak merkte hij op dat er ditmaal veel vreemde gezichten waren. Saul, de kleine man zat in de stoel van Mozes raakte in vuur onder het spreken, sprak met wilde gebaren: Mozes heeft de wet van God gegeven al wie die wet veracht, die zij vervloekt! Wee hem, die het waagt om een mens of wat dan ook ter wereld hoger te stellen dan de wet. Er kwam een stem uit de dicht opeen gepakte menigte. Het was de stem van Stephanus.

Hij liep naar voren beklom de verhoging en begon met rabbi Saul te redetwisten: behalve de wet zijn er ook profeten, die het Woord van God hebben doorgegeven? Hebben zij niet voor zegt, dat de Christus komen zou en dat Hij anders zou zijn dan de mens verwachten? Jesaja voorspelde dat hij als een onschuldig lam zou lijden. Jezus van Nazareth, Hij is de Christus. Hij is meer dan de wet en meer dan de tempel. Saul gaf zijn helpers een wenk, het waren zijn spionnen, die nu als getuigen konden dienen voor wat Stephanus gezegd had. Zij begonnen te roepen, dat Stephanus zwijgen moest toch zijn er dan altijd wel mensen die mee gaan roepen. Zij sleurden Stephanus van het podium en hij werd naar buiten geduwd, naar het paleis van de hogepriester. Alweer een verhoor, zoals bij Jezus en bij Johannes.. De twee getuigen zeiden: deze man heeft kwaad gesproken van de wet en de heilige tempel. Stephanus nam het woord en zijn gezicht straalde als dat van een engel: wie van de profeten zijn door uw voorvaderen niet vervolgd? In uw hart zijt gij zelf heidenen. Gij verzet u tegen de Heilige Geest en ge hebt de rechtvaardige Jezus verraden en laten vermoorde. Toen zij dit hoorden, sneed hun ziel en zij knarsetanden van woede. Stephanus keek omhoog en zei: Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staat er rechterhand Gods. Hem is de koningsmacht gegeven. Luid begonnen allen te schreeuwen en zij stopten hun vingers in hun oren om niet nog meer van zulke dingen te horen, stormden op hem los, wierpen hem de stad uit en wilden hem laten stenigen. De twee getuigen deden hun mantels uit en legde die aan de voeten van rabbi Saul. Zij wierpen de eerste stenen. Stephanus riep: Heer, vergeef het hun. Heer Jezus ontvang mijn geest. Zo stierf hij voor zijn Heer. Hij, Stephanus was de eerste martelaar. Voor een gestenigde mocht geen rouw klacht worden gezongen, maar vrome Joden die niet instemde met de terechtstelling zorgde voor een begrafenis en lieten vrouwen luid weeklagen om Stephanus. Het was niet gegaan volgens de Joodse wet. De razernij was sterker geweest dan het recht. Saul die woonde in het huis van zijn zuster kon die nacht niet slapen.

Telkens zag hij het gezicht van Stephanus voor zich.. Was het niet of hij blij was geweest om voor Jezus te sterven..? Met een ruk keerde Saul zich weer op zijn matras en begroef zijn gezicht in zijn mantel, die hem tot een deken diende, om de ogen van Stephanus niet te zien. De blik vervolgde hem. Midden in de nacht stond Saul op. Hij liep heen en weer over de binnen plaats, het trapje op naar het platte dak. Jeruzalem sliep, de heilige stad, de stad van David.. hier werden Gods heiligdom en de wetten van Mozes bewaakt. Saul wilde zijn leven geven om het ware geloof van Israël te redden. De stad moest gezuiverd worden het verkeerde geloof uitgeroeid, de hele groep Nazareners uit elkaar geslagen. Hij zou ze dwingen omdat geloof af te zweren.. Zo ontstond er in die dagen in Jeruzalem een zware vervolging tegen allen, die in Jezus geloofden. Vele vluchten de stad uit, de Jordaan over, anderen naar Samaria, en Galilea en verder nog buiten de grenzen. Saul droeg bij zich een bewijs van de hogepriester, dat hij de macht had mensen te arresteren. Met mannen van de tempel politie liep hij de stad door, doorzocht de huizen, waar de Jezus volgelingen woonden of bijeen waren, sleurden mannen en vrouwen mee en lieten hun opsluiten in de kerkers van de synagogen of van de tempel. In één dag werd rabbi Saul berucht en gevreesd in Jeruzalem. Zelfs was hij er soms bij, als de gevangenen werden gegeseld totdat ze uit riepen, dat zij niet meer in Jezus geloofden, maar de meesten onder gingen de slagen zwijgend, want zij wilden hun Heer niet verloochenen. Maar terwijl Saul en zijn mannen bezig waren dit geloof in Jeruzalem te vernietigen brachten de gevluchte tot over de grenzen de blijde boodschap mee, dat Jezus van Nazareth de lang verwachte Christus was.
Ingezonden door Suzan de Boe.

Toen kwam de Geest van God

Toen kwam de Geest van God.
Zeven weken sinds het Paschafeest waren voorbij gegaan. Het werd warmer, en warmer, ook in de bergstad Jeruzalem. Het koren in Israël was rijp geworden, de velden waren wit om te oogsten. Slaat de sikkel erin, want de oogst is rijp, klonk het overal op het land. Pelgrims weer naar Jeruzalem om de eerstelingen van de oogst in feestelijke optocht te brengen naar de tempel. Van de eerste tarwe werden de pinksterbroden gebakken. De mensen die bij Jezus hoorden waren in Jeruzalem gebleven, want daar verwachtten zij grote dingen. God had aan Jezus Koninklijke macht gegeven. Hem tot Messias gemaakt. Nu wachtten zij op wat komen ging. Zou Hij soms op de wolken uit de hemel neerdalen als Koning van de wereld? Zou Hij komen met hemelse legerscharen van engelen om het Rijk van God in Israël te vestigen? Wat hadden de profeten gezegd? Geregeld kwamen zij in een bovenzaal bijeen. Men denkt dat dat de zelfde zaal was, waar Jezus zijn laatste avondmaal gevierd had, ergens op de hoogste verdieping van een huis op de berg Sion. Zij baden eendrachtig dag in dag uit om de komst van het Koninkrijk. Ook braken zij het brood en dronken uit de beker wijn, zoals Jezus hen gezegd had: doet dit tot mijn gedachtenis. Zo herdachten zij, dat Hij voor hen was gestorven en beleefden zij, dat Hij toch dichtbij was en idder ogenblik verwachtten zij, dat Hij terug zal komen. Wij breken het brood en drinken van de wijn totdat Hij komt, zeiden zij. Maranatha, onze Heer, kom!
url


Toen de Pinksterdag aanbrak waren allen in de vroege morgen bijeen. Eensklaps kwam er uit de hemel een gedruis als van een hevige wind en vulde het hele huis waar zij zaten. Tegelijkertijd zagen zij het licht van Gods heerlijkheid als een zwerm witte duiven of meer nog, zoals vuur zich verdeelt in de tongen, op allen neerdalen. Zo kwam het op ieder van hen en allen werden vervuld met de Heilige Geest en begonnen te juichen. Zij waren zo buiten zichzelf, dat er al spoedig een menigte van de straat te hoop liep. De binnenplaats vulden zich met nieuwsgierigen die wilden zien wat er aan de hand was. Steeds meer mensen kwamen aan lopen. Wat is dat voor alarm op de berg Sion? Was het bazuingeschal? Ik hoorde een gedruis als van een groot leger, zei een ander. Nee, het leek het suizen van een storm. Boven in de zaal waren wel honderd mensen luid aan het juichen en roepen. Sommige voorbijgangers die beneden stonden hoorden niets dan onverstaanbare klanken. Ze hebben te veel zoete wijn gehad! Spotten zij. Anderen die beneden stonden werden gegrepen door dezelfde Geest en verwonderden zich. Het zijn toch die Galileeërs. Hoe kunnen wij zo goed verstaan wat ze zeggen, we horen hen in onze eigen taal de grote daden van God vertellen. Toen trad Petrus met de andere apostelen naar buiten en sprak met luidde stem: Gij Joden uit verre landen en gij, inwoners van Jeruzalem. De mensen zijn niet dronken, want het is nog maar negen uur in de ochtend. Wat ge hebt gehoord, dat was de wind uit het paradijs, de adem van God, die ons het eeuwige leven in blaast. Wij dachten, dat Christus die door de mensen is verworpen, dood was en de wereld nu verloren, maar God heeft ons dit teken van leven gegeven. Hij heeft het de wereld vergeven en wil met zijn Heiligen Geest bij ons wonen op aarde. Diep getroffen hoorden allen dit aan en vroegen: Wat moeten wij doen? Petrus antwoordde: Gelooft, dat Jezus Christus is en dat alle kwaad dat ge God hebt aangedaan u is vergeven. Dan zult ge ook de Heilige Geest ontvangen. Laat u dopen in de naam van Christus. Op die dag kwamen vele mensen tot geloof en zij wilden er ook bij horen. Ze werden wel gedoopt met water, maar de doop met de Heilige Geest van God, daar ging het om. Op dit feest van de oogst, Pinksteren, waren velen rijp voor het Koninkrijk van God. Het was de geboorte dag van de kerk, dat is de gemeenschap van allen, die bij Christus horen. Zo was het koninkrijk van God dichtbij gekomen, maar heel anders dan de mensen hadden gedacht. Niet door de hemelse legermacht. Maar het begon in de harten van de mensen, onzichtbaar. Het zaad van Gods Woord ging nu groeien. Zijn kracht dreef hen de wereld in. Let maar op, dat ze niet op de berg Sion op Gods Rijk bleven wachtten. Maar naar verre landden werden gezonden door de Heilige Geest.
Ingezonden door Suzan de Boe.

Toen de Haan kraaide

Toen de Haan kraaide.DSC00192_360x273.JPG
Simon Petrus was de hof in gevlucht om zijn eigen leven te redden. Hij had zich bevend van schrik verstopt achter de struiken. De anderen waren over de muur geklommen en verdwenen in de richting van Bethanië. Toen Petrus het geluid van marcherende voetstappen hoorde weg sterven sloop hij uit zijn schuilplaats. Ze waren al beneden vlakbij de brug. Om voor die ene weerloze man zo’n politiemacht te laten uitrukken. Ach, nu was zijn Heer gevangen. Waar zouden ze hem heen brengen? Toen ze even uit het gezicht waren holde Petrus de berg af. Nu klommen ze de trappen op naar de stadspoort. In grote ontsteltenis volgde hij de stoet van verre. Als het aan hem gelegen had zou hij wel zijn meester verdedigd hebben. Waarom had God geen legermacht van engelen gezonden om zijn geliefde Mensenzoon te redden? Wat zou er van komen? Zou het op het laatste ogenblik nog een wonder gebeuren? Daar gingen ze in de richting van de bovenstad. Zij leidden Jezus naar het paleis van de hoge priester. Petrus zag hun door de poort naar binnen gaan. O, kon hij er maar bij zijn om te zien wat ze met Hem deden. Zou hij nu nooit meer met zijn Heer kunnen praten? Hij bleef buiten staan. Er ging nog iemand naar binnen. Deze zag Petrus staan en herkende hem, want vaak had deze man naar Jezus geluisterd in de tempel. Hij was een bekende van de hogepriester. Hij sprak met de portierster en wenkte Petrus, dat hij naar binnen mocht. Op de binnenplaats was het donker. Niemand zou hem opmerken. Hij bleef staan in de galerij. Hier zou hij wachten om te kijken, hoe het zou aflopen. Misschien zat Jezus nu in de onderaardse kelder. In het midden van de binnenplaats brandde een vuur. De nacht was kil. De tempel knechten zaten bij het vuur en praten met enkele slavinnen. Nu en dan ving Petrus het woord “Jeshua” op. Telkens kwamen er heren binnen door de poort en gingen door een deur het paleis in. Petrus was bang op gemerkt te worden. Misschien was het toch beter om maar gewoon bij het vuur te gaan staan, dat viel niet zo op. Hij had het ook koud gekregen. Hij slenterde in de richting van het vuur. Niemand lette op hem. Ze waren druk in het gesprek. Nu kon Petrus ook beter horen wat ze bespraken. Hij hurkte neer en hield zijn handen bij het vuur. Telkens keek hij omhoog naar de venster van het paleis, die verlicht waren. Er bewogen toortsen langs de boven galerij. Ineens keek een slavin naar hem zijn gezicht werd verlicht door het flakkerende vuur en ze riep uit: Kijk, jij was toch ook met deze Jeshua de Galileër! Allen keken naar Petrus. Hij schrok en zei: Ik weet niet waar je het over hebt. Toen een ander weer begon met een nieuw verhaal over Malchus de knecht van de hogepriester hem was zo maar een oor afgeslagen door èèn van zijn aanhangers en die Jeshua raakte zijn oor aan en het was weer heel, Petrus stond op en liep terug naar het poortgebouw. Daar brandde meer een flauw licht en het was dichtbij de uitgang, als er iets zou gebeuren, kon hij zo de vensters van het paleis in het oog houden. Daar kwamen weer voorname mannen binnen. Dit is Eliëzer, de zoon van Annas, met Jochanan, de opperschatbewaarder van de tempel, hoorde hij zeggen. Het is alsof alle tempelheren hier vannacht wezen moeten. Ze zeggen dat de gevangene al verhoord is door de oude Annas. Nu, dan kon hij wraak nemen voor het omverwerpen van zijn tempelbazars! Nooit heeft iemand dat toch maar gedurfd! En Petrus luisterde, wachtte, keek en wachtte, en de minuten leken een lange duistere eeuwigheid.

Toen kwamen de portierster naar hem toe en zei tegen de mannen die erbij stonden: Kijk deze was met Jezus de Nazarener. Petrus schreeuwde het haast uit: Ik zweer je dat ik die man niet ken! De sterren begonnen al te verbleken, de dag was niet ver meer. Petrus waagde zich weer even op de binnenplaats. Toen kwam er een knecht van het paleis op hem af, hij was familie van Malchus en hij zei: Ik heb je met hem gezien in de hof bij de olijfpers. Waarachtig, je bent één van hen, we hoorden het aan je Galilees dialect. Je spraak verraad je. Petrus begon in doodangst te vloeken en te zweren: Ik ken die man niet, ik heb er niets mee te maken. In de verte kraaide een haan. De morgen brak aan. Plotseling herinnerde Petrus zich, wat Jezus had gezegd had. En hij ging de poort uit en begon bitter te huilen. Jezus, was uit de gevangenis naar boven gebracht. Eerst had de schoonvader van de hogepriester, Annas hem uitgehoord over zijn volgelingen en zijn leer en toen werd hij naar binnen geleid in de grote zaal van het paleis. De Hoge Raad in de korte tijd voor ’t feest geen proces meer voeren. Annas en Kajafas hadden een complot gesmeed en Pilatus, de Romeinse stadhouder, al laten weten dat hij vroeg in de morgen een arrestant verwachtten kon die veel onrust onder het volk teweegbracht en daarom beter uit de weg geruimd kon worden. Omdat de Joodse Hoge Raad ’s nachts niet opgeroepen kon worden, had Kajafas alleen enkele leden in dit nachtelijke uur laten komen, want er zou een voor onderzoek plaats vinden in zijn paleis. In het midden zat Joseph Kajafas, hij was de hogepriester, de kohen gadol en zat als voorzitter van de vergadering op een marmeren zetel. Naast hem zat Annas die met een spottend lachje toekeek, toen de beklaagde werd binnen gebracht. Een beklaagde moest verschijnen als een rouw, met gescheurde kleren en met gebogen hoofd, maar deze had zijn hoofd niet gebogen, hij keek recht voor zich uit. Zo was dan eindelijk deze vogel gevangen in hun netten. Annas leunde tevreden achterover. In een halve cirkel hadden de andere raadslieden plaats genomen, meest leden van de priester partij. Links en rechts zat een schrijver met een leitje van was voor zich om het verhoor op te schrijven. Het ging erom dat allen overtuigd zouden worden dat deze Jeshua uit Galilea de dood verdiende. Laat de eerste binnen komen, zei de hogepriester. Er kwam een man binnen, die vertelde wat Jezus zou hebben gezegd of had gedaan. Pas als twee getuigen het zelfde beweerden was hun getuigenis geldig. De één na de ander kwam binnen maar de één zei dit en de ander dat en hun getuigenis stemde niet overeen. Jezus, stond doodstil en keek recht voor zich uit Hij zweeg als een lam. Er kwam een man binnen die zei: We hebben hem horen zeggen: Ik kan deze tempel die door mensen handen is gemaakt, afbreken en in drie dagen een nieuwe tempel, niet door mensen is gemaakt bouwen. Toen stond Joseph Kajafas op van zijn zetel, kwam naar voren tot vlakbij Jezus, die daar stond in een majesteitelijke rust, om hem van zijn stuk te brengen, en aan het praten te krijgen. Hij zei spottend: Waarom antwoord ge niets? Hoort ge dan niet wat al deze mensen tegen U getuigen? Maar Jezus bleef zwijgen en antwoorde niets. Het verhoor dreigde te mislukken.
Ingezonden door Suzan de Boe.

Kleurplaat:
url

GEEN HINDERNIS TE GROOT.

GEEN HINDERNIS TE GROOT.

imgres
Een van die dagen gebeurde het net dat een melaatse man naar Hem toeliep. De menigte week voor hem uit, want hij kwam recht op Jezus aan Melaatsen moesten immers ver van de mensen leven, buiten de muren van de stad, al mochten zij wel in dorpen komen. Men zorgde op de weg op minstens een paar meter afstand van hen te blijven en als de wind uit hun richting kwam, bleef men nog verder uit de buurt. Soms wierpen mensen hen met stenen om hen op een afstand te houden. Eens wilde een Rabbi in een winkel niets kopen, omdat in die straat een melaatse was. Ze dachten dat het slechte mensen waren, door God met die ziekte gestraft. Op straat moesten de melaatsen zelf waarschuwen en roepen: Onrein! Onrein! Dat betekent dat niemand met hun in contact mocht komen, dat ze taboe waren. Stel je voor dat men zo iemand zou aanraken. Niet zozeer omdat men bang was voor een besmettelijke ziekte, maar meer omdat voor de strenge Joden de melaatsen een teken was van het kwade en van de dood. Als in rouw moesten ze zich gedragen, met gescheurde kleren en loshangend haar. Zij waren de uitgestotenen, de schande van Israël. Zo belangrijk was dit voor de Joden, dat er apart vertrek was bij de tempelvoorhof, waar hij die genezen was van de melaatsheid, moest komen om zich rein te laten verklaren door de priester. Twee vogeltjes moest zo iemand kopen, waarvan er één werd geofferd. De andere vogel mocht weg vliegen in de vrijheid van de wijde lucht. Zo werd de genezen melaatse ook vrij en mocht hij weer gaan en komen waar hij wilde. Daar kwam dus de melaatse naar Jezus toe, zijn toevlucht. De ongelukkige viel op een afstand voor Hem op de knieën en riep smekend: In dien u wilt, kunt Gij mij reinigen. Met barmhartigheid bewogen kwam Jezus bij hem, strekte zijn hand uit, raakte hem aan en zei tot hem: Ik wil het, word rein! En terstond verliet hem de melaatsheid. Jezus, gaf hem een strenge vermaning mee: Ge moogt aan niemand vertellen wat er gebeurd is, maar ga naar de tempel, toon u aan de priester en offer voor de reiniging wat er in de wet van Mozes staat. Zo zond Jezus hem als een getuige naar de tempel. De genezen man kon het niet laten om aan de eerste de beste voorbijganger te vertellen wat er gebeurd was en het overal in de omtrek telkens weer ruchtbaar te maken, zodat Jezus niet meer openlijk de stad kon binnenkomen zonder door nieuwsgierig opdringen de menigte omstuwd te worden. Daarom bleef Hij in de bergen en hield zich op in eenzame plaatsen. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe. Toen Hij weer in Kapernaüm gekomen was, hoorde men enige dagen later dat Hij thuis was. Het gerucht ging op de markt van de een na de ander en daar kwamen de mensen haastig uit huis weggelopen, nieuwsgierig om weer een wonder te zien. Ze treuzelden eerst voor het poortje, praten met elkaar, liepen langzaam de binnenplaats op en toen enkelen binnen waren, durfden de anderen ook. Het werd voller en voller, zò dat men elkaar opzij duwde en naar voren drong. Plotseling week de menigte uiteen, men boog, want daar kwamen een paar schrift geleerden, die door de poortjes naar binnen wilden. Rabbi’s op bezoek bij Jezus van Nazareth! Wie achter aan stond, ging op zijn tenen staan om goed te zien, hoe Jezus de Rabbi’s begroete. Zij mochten op de bank zitten onder de galerij. De schrift geleerden waren gekomen, omdat ze graag wilde weten wat Jezus deed. Het was de laatste tijd veel besproken in de raadskamer van de synagoge. Men had het gevoel dat hij veel meer invloed had dan een gewone prediker, het volk liep hem achterna en hij deed vreemde dingen. Hield hij zich wel precies aan de wet? Toen begon Jezus te spreken. Hij stond met zijn rug naar de schrift geleerden en richtte zich tot de mensen, die hongerig stonde te luisteren Ze vergaten helemaal dat ze uit nieuwsgierigheid gekomen waren en dat ze zich bijna niet konden verroeren, zo dicht stonden ze op elkaar gepakt. Hij bracht hen zijn woord naar een andere wereld van Gods kracht en heerlijkheid. Steeds meer mensen kwamen en proberen zich naar binnen te dringen, maar het ging niet meer. Ze moesten op straat blijven staan en konden niets horen. Toen zagen ze vier mannen aankomen, die op een matras een verlamde droegen. Sinds jaren kon die man niet meer lopen. Ze waren op weg naar Jezus. Met hen, die op straat stonden werd er overlegd hoe ze binnen konden komen, maar niemand op de binnenplaats week ook maar een duimbreedte opzij. Wie wilde er nu weg? De verlamde man had al zijn hoop gesteld op dit ogenblik. Hij had gehoord dat Jezus thuis was. Nu hadden ze hem erheen gedragen. Hij kon niet meer wachten. Nu terug naar huis gaan leek hem een terugkeer naar een grotere duisternis dan ooit te voren. Kon niemand hem nu helpen? Breng mij naar Jeshua! Riep hij schor. Zijn dragers legden hem op straat neer en bespraken wat ze doen zouden. Toen namen zij de matras en gingen het trapje op dat naar het dak leidde boven de plek, waar Jezus onder de galerij stond, en lieten de verlamde met de matras naar beneden zakken. Daar lag hij nu, vlakbij Jezus. Jezus, zag hun geloof en zei tot de verlamde: Kind, wat u God hebt aan gedaan, Uw zonde is U vergeven. De mensen die achteraan stonden strekten hun hals uit om te zien of de man al beter was geworden en de mannen op het dak gluurden door de opening of er al iets gebeurd was. De schrift geleerden keken elkaar aan en fluisterden: Hoort U, wat hij voor godslasterlijke dingen zegt, want wie kan zonden vergeven dan alleen God zelf? Zoiets mag een mens toch niet zeggen. Hij stelt zich in de plaats van God! Jezus, wist wat rabbi’s dachten en zei: Waarom denkt u deze dingen in uw hart? Wat is gemakkelijker te zeggen: Uw zonden zijn U vergeven, of Sta op en wandel? Maar omdat u moogt weten dat de Mensenzoon macht geeft op aarde te vergeven. Zal ik zeggen tot de verlamde: Neem uw matras op en ga naar huis. En de man stond op nam terstond zijn matras op - weken de mensen uiteen, als voor een heilige- en zij zagen hem naar buiten lopen. Allen die er bij stonden waren ontsteld, zij verheerlijkten God en zeiden: Zo iets hebben we nog nooit gezien!
Ingezonden door Suzan de Boe.
.

Jezus wandeld op zee

JEZUS WANDELT OP DE ZEE.


WandelWater
DE zon was ondergegaan. De nacht was gekomen. En de duisternis had zich uitgebreid over de aarde. Op de donkere helling van een berg aan de oostzijde van het meer van Galilea lag een eenzamen man geknield tussen de rotsen. Het was Jezus. Hij bad. De sterren schitterde boven Hem en spiegelden zich in het donkere meer. De uren vervlogen, maar hij scheen het niet merken. Toen stak de wind op en rumoerde over de bergen. Hij nam toe in kracht en stortte zich van boven af op het meer. Hij zweepte de golven op tot de bergen van water, met toppen van schuim. Het werd noodweer. Maar Hij, daar op de berghelling scheen het niet te merken. Als Jezus bad was Hij heel dicht bij zijn Vader; dan scheen het alsof zijn ziel in de hemel was opgenomen. Maar eindelijk stond Hij op, versterkt en bemoedigd. Hij stond in de loeiende storm, in een dichtte duisternis en zag om zich heen. Voor zijn ogen was niets verborgen. Hij zag de zee en de schuimende golven en ver weg, midden op het meer een scheepje. In dat scheepje waren twaalf mannen, die zich inspanden om tegen de wind te roeien, die zich aftobden om voort te komen. De duisternis bedekte hen. Ze konden elkaar nauwelijks zien. Maar voor Hem was de nacht licht als de dag en Hij zag zelfs de angst in hun ogen. Hij daalde het donkere pad af en kwam aan het strand. Zijn ogen waren op het scheepje gericht. Zijn hart was bij zijn discipelen. Wie zou het verhinderen als Hij te hulp wilde komen? Zijn voeten droegen Hem het strand op, recht op de bruisende golven aan. Die bogen gehoorzaam de schuimkoppen voor hun Heer en Meester; ze wierpen zich voor Hem neer en droegen Hem. Over die golven door de duistere stormnacht, wandelde Jezus recht op het schip aan.
Toen de discipelen de vorige avond op het bevel van hun Meester in het schip waren gegaan en met tegenzin van wal waren gestoken, waren zij dicht bij de kust heen en weer blijven varen, want zij dachten dat Jezus zich nog bij hen zou voegen. Maat toen het donker was geworden, was Hij nog niet gekomen. Hun mismoedigheid werd er nog groter door. Zij hadden het zo goed met hun Meester voor, ze hadden Hem en zichzelf een schitterende toekomst willen bereidden en voor een roem willen zorgen. Maar Hij had niet gewild. Vertrouwde Hij hen niet?... En had Hij hen nu ook nog vergeten?... Duister en ruw was de avond. De wind stak op een sterke tegenwind, die de golven met kracht uiteen deed spatten tegen de boeg. Maar zij moesten naar de overzijde, want de Meester had bevolen en zij spanden al hun krachten in, maar kwamen slecht vooruit. Na meer dan een halve nacht van roeien en zwoegen. waren zij nog maar vijf of zes kilometer verder gekomen. Om een uur of drie in de nacht bij het begin van de vierde nachtwake waren zij nog midden op de zee. Zouden zij wel ooit hun doel bereiken?... Ze dachten aan die vorige nacht toen ook zo erg was met de storm. Toen hadden ze zich bang gemaakt voor niets. Want toen was Jezus hij hen. Hij lag rustig te slapen in het achterschip en toen ze Hem wekten had Hij met een enkel machtig woord de wind en de zee gekalmeerd. Maar nu was zijn plaats leeg. Nu had Hij hen alleen gelaten en waren ze overgeleverd aan het geweld van de storm, aan de boze duistere machten, die tegen hen woedden… En zie, wat was dàt? Een wit gedaante die over het donkere water het schip voorbij zweefde? Een manegestalte die wandelde op de golven? Ze schrokken vreselijk en schreeuwde het uit. Een spook. Het is een spook. Maar een vriendelijke stem riep: Houd moed, Ik ben het, wees niet bevreesd! Die goede bekende stem stilde en een ogenblik hun angst. De Meester! Stamelde ze De Meester is daar!... Ze dachten aan geen wind en geen golven meer. De Meester was bij hen! Had Hij hen tòch niet vergeten? Kwam Hij nu dwars over het water naar hen toe? Wie was Hij dan, dat Hem dat mogelijk was?... Simon Petrus was de eerste die spreken kon na die grote verbazing. Een juichende vreugde steeg in hem op, een vurige liefde voor de Meester, die hun niet alleen gelaten had. Hij wilde bij Hem zijn, hij had zo naar Hem verlangd! Petrus kòn niet langer wachten hij moest naar zijn Meester toe. Here,, riep hij, als Gij het zijt, beveel mij dan tot U te komen over het water…”Jezus zei: kom! ”Eén woord was het slechts. Maar voor Petrus, geloof, dat plotseling groot en sterk in hem stond, was het genoeg. Zonder vrees, zonder na te denken, klom hij over boord, de schitterende ogen op Jezus gericht. Vast en zonder aarzelen zette hij zijn eerst stappen op het water. Het water droeg hem. Jezus was weer Heer over de golven. Petrus door zijn geloof in Hem, was het ook. Het drong ineens tot hem door, hoe wonderlijk dat eigenlijk was. Hij had er eerst niet aan gedacht, hij had alleen aan Jezus gedacht. Nu keek hij verbaasd omlaag naar die zwarte levende vloer onder zijn voeten. Droeg die hem werkelijk?... Hoor, hoe de wind waaide! Zie, hoe de golven opzweepte! Bergen van water rolden op Petrus aan. Petrus vergat er de Meester door. Hij zag nu alleen zichzelf in het water, hij zag alleen het gevaar. En plotseling, even snel als straks zijn geloof, steeg nu de angst in hem op en ineens zonk hij weg in de diepte. , Here red mij!” schreeuwde Petrus en zijn strekte handen naar Jezus uit. Toen voelde hij ook reeds de hand van de Meester, die hem aangreep en optrok en hij hoorde Hem vragen, Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?” Ze liepen hand aan hand naar het schip en klommen er in. De wind ging liggen. De zee was vlak als een spiegel. Toen de discipelen dit nieuwe wonder zagen, wierpen ze zich voor Jezus neer en stamelden, Waarlijk  Gij zijt Gods Zoon!” en terwijl de eerste glans van het morgenrood de toppen der bergen kleurde, meerden  zij veilig hun schip aan de oever.
Ingezonden door Suzan de Boe.