In verwachting van Gods belofte.

In verwachting van Gods belofte.
url
Maria had de boodschap van de engel gehoord, dat zij was uitgekozen uit al die vrouwen om de Messias ter wereld te brengen. De Messias betekent gezalfde, de door God gekozen Koning. In de wereldtaal van die tijd, het Grieks, werd hij de Christus genoemd.
In die dagen maakt zij zich klaar om op reis te gaan.
Zij verlangde om het grote geheim te vertellen aan haar nicht Elisabeth, de vrouw van de priester Zacharias, die woonde in een stadje in de bergen van Juda. Maria ging op weg, drie dagen reizen ver naar het Zuiden. Was er in Nazareth niet verteld, dat Elisabeth een kind verwachtte? Na la die jaren dat zij tevergeefs hadden uit gezien naar een zoon, een opvolger in de priesterdienst, was dat een wonder, zeiden de mensen. Zacharias zou een boodschap van een engel hebben gehad, toen hij dienst deed in de tempel. Van schrik en blijdschap kon hij sinds dien niet meer praten, zo had het hem aan gegrepen. Een paar maanden later was dat gebeurd. In die tijd van verwachting wilde Maria bij Elisabeth en Zacharias zijn, die meer wisten van de hemelse dinge. Maria had zich aan gesloten bij een kleine karavaan reizigers. Alleen op reis gaan door de bergen deed niemand. Zij praten bijna niet met de anderen, er was een te groot geheim te bewaren. En wie zou het hebben geloofd? Het was niet te geloven, dat de Messias zou komen, dat het eeuwenlange wachtten voorbij zou ziin. Zij liep maar voort over de stoffige wegen en had geen oog voor het wijde land van Israël, zo was zij naar binnen gekeerd met haar gedachten: dat Hij niet op de wolken zou nederdalen, maar geboren worden als een mensen kind, als haar kind. en zij was toch maar een arme eenvoudige vrouw. en Jozef, de timmerman zou zijn vader worden. Zij zouden voor Hem mogen zorgen. Onderweg begon zij telkens te neuriën van blijdschap. Maar als zij uit ruste langs de weg en brood at met de mensen van Nazareth, kwam er weer twijfel in haar. Was het geen droom geweest die voorbij ging? Zou het verbeelding zijn? Na drie dagen kwam Maria in het stadje, waar het priester echtpaar woonde. Ze had niet gemerkt dat ze moe was van de reis. Haar mantel en hoofddoek zagen grijs van het stof. Ze klopte aan de poort een knecht deed open en leidde haar naar binnen. Vrede, riep Maria en Elizabeth kwam haar tegemoet. Wat vreemd het was of de vrede op dit ogenblik werkelijk haar huis binnen kwam. Toen Elizabeth de groet van Maria hoorde voelde zij hoe haar kind opsprong in haar schoot, zij werd vervuld van de Heilige Geest en riep als een profetes: Maria, je bent gezegend om het kind dat je ter wereld zult brengen. oen vertelde Maria het geheim van Elizabeth. Wat zij voelde en vertelde werd een lied. Dit is het lied van Maria, zoals het in de Bijbel staat.
Mijn ziel maakt groot de Heer,
ik verblijd mij over God, mijn redder,
omdat Hij naar mij heeft omgezien,
al ben ik een arme eenvoudige vrouw
De mensen zullen mij prijzen,
omdat de Machtige grote dingen aan mij heeft gedaan.
Heilig is Zijn naam en Zijn barmhartigheid is voor allen
die ontzag voor Hem hebben.
Machtigen heeft Hij van de troon gestort en een voudigen verhoogd,
hongerige verzadigd en rijken met lege handen weggezonden.
Hij heeft gedacht aam de belofte, die Hij gedaan heeft voor Abraham,
dat eens zijn heil. aan Israël geschonken, voor de hele wereld zou zijn.
Maria bleef daar ongeveer drie maanden en keerde toen naar Nazareth terug.

Christus is geboren.
En het geschiedde in die dagen dat er een gebod uitging van keizer Augustus, dat alle mensen in zijn wereldrijk moesten worden in geschreven. En allen gingen op weg om zich aan te geven ieder naar de stad, waar hij vandaan kwam. Jozef trok op van Gahlea, uit de stad Nazareth naar Judea, naar de stad van David die Bethlehem heet omdat hij van Davids familie was, om zich te laten inschrijven met Maria zijn vrouw die een kind verwachtte. En het geschiedde toen zij daar waren dat het kind geboren werd. En zij brachten een zoon ter wereld haar eerstgeborene. Wikkelde Hem in de doeken en legde Hem in een kribbe omdat voor hen geen plaats was in de herberg. En er waren herders in die zelfde landstreek die in het open veld ’s nachts de wacht hielde over hun kudde. Plotseling stond de engel des Heren bij hen en Gods heerlijkheid omstraalde hen en zij vreesden met grote vreze. En de engel zei tot hen: ‘Vrees niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap bestemd voor het hele volk: Heden is u redder geboren. Christus de Heer in de stad van David. En dit zal u het teken zijn: u zult een pas geboren kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe. En plotseling was er bij de engel een grote hemelse legermacht die God loofde; Ere zij God in den hoge en vrede op aarde, onder de mensen in wie welbehagen heeft.’ En het geschiedde toen de engelen van hen waren heen gegaan naar de hemel dat de herders tot elkaar zeiden: Laten we naar Bethlehem gaan om te zien, het woord, dat gebeurd is en ons door de Heer is bekend gemaakt. En zij gingen met haast en vonden Maria en Jozef en het kind, liggende in de kribbe. En toen zij dit gezien hadden maakten zij het woord bekend dat hun over dit kind gezegd was. En allen, die ervan hoorden verbaasden zich over het geen hun door de herders gezegd werd. Doch Maria bewaarde al deze woorden die overwegende in haar hart. En de herders keerden terug. God lovende en prijzende over al wat zij hadden gehoord en gezien zoals het hun gezegd was.
Ingezonden door Suzan de Boe.

David en Goliath.

David en Goliath.
=David_en_Goliath (1)
De Filstijnen trokken hun leger samen bij Socho dat in Juda ligt. Daar sloegen ze hun tenten op. Saul had zijn strijdkrachten ook samen getrokken in het eiken dal. Zijn mannen stelden zich op tegen de Filistijnen. En nu was de toestand zo: Op de berg aan de éne kant stonden de Filistijnen en op de berg andere kant die van Israël, tussen die twee partijen was het dal. Daar kwam een man aan marcheren uit het leger van de Filistijnen, Goliath was zijn naam. Hij kwam uit Gad. Ruim drie en een halve meter was hij. Op zijn hoofd had hij en koperen helm. Een loodzwaar koperen ringetjes harnas had hij aan, koperen scheen beschermers om zijn benen en een koperen borstkas aan. De schacht van zijn speer alleen al was zo groot als een wevers boom, en de punt van die speer woog bijna 40 kilo. Voor hem uit ging een schilddrager. Daar stond hij. En hij schreeuwde de in slagorde opgestelde soldaten van Israël toe: Wat zijn jullie eigenlijk van plan? Nu ik er eenmaal ben, zal ik de zaak wel even namens alle Filistijnen regelen; zoeken jullie er ook maar eentje uit, en laat die maar naar beneden komen. Krijgt hij mij eronder, dan zijn wij jullie slaven, maar sla ik hèm dood, dan zijn wij voortaan de baas over jullie. Ik daag jullie slag order uit, vandaag, nu op dit ogenblik: kom op met jullie kampioen, dan zullen we eens zien wat er gebeurt! Saul hoorde wat de Filistijnen daar allemaal zei, en alle Israëlieten trouwens ook. Doods benauwd deinsden ze terug. Maar David – je weet wel, David, die zoon van Isaï, de man uit Bethlehem in Juda, die acht zonen had. Isaï zelf was in die tijd al te oud om nog dienst te nemen, maar zijn drie zoons waren in Saul leger, Eliab, Abinadad en Sjemma. En David? David was de kleinste! De drie grotere broers zaten dus in het leger. Maar David moest steeds terug naar huis om de schapen van zijn vader in Bethlehem te weiden. Op een dag had Isaï tegen David gezegd; Ga eens wat brood en geroosterde koren brengen aan je broers, met de groeten van thuis, en ga eens zien hoe het met hun is; en neem ook nog wat schapenkaas voor de overste mee. Ze zijn allemaal in het eiken dal; Saul en alle anderen, en ze leverden slag tegen de Filistijnen. David was ’s morgensvroeg opgestaan, had de schapen bij een ander achter gelaten, zijn spullen gepakt en was bij het tentenkamp gekomen. Juist op dat moment stelden de beide legers zich tegenover elkaar op. David liet zijn bagage zolang achter bij de wapenbeheerder. Hij liep dwars door de rijen naar zijn broers en vroeg hoe het met hen was. Ze waren nog niet uitgesproken of daar verscheen die reusachtige man weer: Goliath de Filistijn uit Gad. Hij slingerde precies dezelfde brallende woorden naar de hoofden van die van Israël, en David hoorde het. Alle soldaten van Israël kropen in hun schulp toen ze die man zagen: Heb je hem gezien! Zeiden ze bevend tegen elkaar. Dat doet hij om Israël belachelijk te maken! Als er ooit iemand komt die deze man verslaat.. Een geweldige beloning zal krijgen. De prinses tot vrouw! Zijn hele familie belasting vrij! David zei: Wat? Zal dat met die man gebeuren die de Filistijn verslaat en de smaad van Israël wegdoet? Wie is die onbesneden barbaar van een Filistijn eigenlijk, dat hij de legers van de levende God belachelijk durft te maken? Maar Eliab, Davids grotere broer, hoorde wat David tegen de mannen zei. En Eliab werd woedend. Zeg! Riep hij geërgerd tegen David, wat doet jij hier! Waarom ben je naar beneden gekomen? En wie past eigenlijk op je schapen? Ik ken jou overmoed! Om maar naar het vechten te kijken, daarom ben je naar beneden gekomen! David zei: Wat heb ik tot nu toe gedaan! Woorden waren het alleen nog maar woorden. Hij draaide zich om en vroeg ook aan een andere troep soldaten: Wie is die onbesneden Filistijn, die heiden, dat hij dit allemaal durft te zeggen! Allemaal hoorden ze tenslotte wat David erover te zeggen had. Ze vertelden het aan de koning. En die liet hem halen. David sprak tegen Saul; Voor die daar hoeft niemand de moed laten zinken! Ik, uw knecht zal vechten tegen die Filistijn! Maar Saul sprak tot David: Dat haal je niet, David! Je bent nog maar een jongen. En die man daar vecht al vanaf het ogenblik dat hij kon lopen! Ja, maar koning zei David, ik was herder bij mijn vaders schapen, en als er dan een leeuw aan kwam, of een beer, die een lam wilde pakken dan ging ik er al op af, ik sloeg er op in, en ik redde het lam uit zijn muil. En als hij zich dan op mijn wilde storten greep ik hem bij zijn manen en sloeg hem dood. Dat heb ik ook met de leeuw en de beer gedaan, en met die barbaar van een Filistijn zal ik precies zo gaan. Want de legers van de levende God heeft hij belachelijk gemaakt. De Heer die mij uit de klauwen van de leeuw en de beer heeft gered zal me ook uit de greep van de Filistijn redden. Ga maar, zei Saul. Hij zal achter je staan. En Saul trok David zijn eigen harnas aan, zette een ijzeren helm op zijn hoofd en gespte hem zijn zwaard om. Toen probeerde David te lopen, want dat had hij nog niet eerder geprobeerd. Maar David zei: Zo kan ik niet bewegen, koning! Ik heb nog nooit een harnas aangehad. En David trok alles weer uit. Hij nam zijn herdersstok, zocht vijf mooie gladde steentjes uit, legde die in zijn herderstas, nam zijn slinger in de hand en trok zo op de Filistijn af. Daar was Goliath. Hij kwam nader en nader, voor hem uit ging zijn schilddrager. Toen kreeg de Filistijn David in het vizier, en hij barste uit in brullende gelach uit, want David was immers nog maar een jongen, met roze wangen en een glad gezicht. De Filistijn schreeuwde hem toe: Ben ik soms een hond, dat je met een stok op mij afkomt? En hij vervloekte David bij al zijn Filistijnse goden. Kom maar op maar op! Schreeuwde hij, ik sla je morsdood, en dan geef ik je vlees aan de aasgieren en de jakhalzen! Kom maar op! Maar David zei: Jij komt op mij af met je zwaard, met je speer, met je harnas, maar ik kom naar jou met de Naam van de Heer, De God van de legers van Israël die jij gehoond hebt. Op deze dag sla ik je dood, je hoofd hak ik af en dat geef ik vandaag nog aan de roofvogels en de wilde dieren! Dan kan de hele bewoonde wereld zien dat Israëls God hier present is. Dit gevecht is Zijn zaak. Hij geeft jullie in onze handen! En het gebeurde toen de Filistijn op David afkwam, dat David hem tegemoet rende. Hij stak zijn hand in zijn herderstas, nam er een steen uit, deed hem in zijn slinger, slingerde en trof de Filistijn in zijn voorhoofd. Hij viel als een blok, plat op zijn gezicht. Zo overwon David die Filistijn met de slinger en een steen. Hij dode hem, en toch had hij geen zwaard in zijn hand. Nu rende David naar de Filistijn toe, rukte diens zwaard uit zijn schede en sloeg daarmee het hoofd af. Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was gingen ze in paniek op de vlucht. Maar de mannen van Israël en Juda kwamen overeind. Een geschreeuw barstte ze los. Ze zetten de Filistijnen na Ekron aan toe, en links en rechts vielen er doden. Toen keerden ze terug van de achtervolging en sloegen het hele legerkamp kort en klein. In één adem had Jochia hat verhaal verteld. Met een zucht ging hij weer zitten. Maar Oeri zei: Eigenlijk als je er eens goed over nadenkt, had Saul die reus te lijf moeten gaan. Hij kwam toch eerst in aanmerking? Ja, en bovendien stak hij met kop en schouders boven iedereen uit! herinnerde Joram zich. Tobias knikte langzaam. Vanaf dat ogenblik was David eigenlijk al aangewezen als koning. En Saul was jaloers. Heimelijk voelde hij wel dat hij als koning tekort geschoten was. Samuel had dat trouwens met zoveel woorden gezegd: Vandaag heeft God het koningschap van jou af gescheurd en het gegeven aan je makker, die beter is dan jijzelf. Hij geeft God wat Hem toekomt, jij niet. Saul was dat niet vergeten. En in zijn hart was wrok, berouw, verdriet en leegte. Waar leegte is komt somberheid wonen. Saul kon niet slapen. En al hij sliep droomde hij. Buien van neerslachtigheid overvielen hem. Zijn dienaren gingen het aan het hart, dat het zo met zijn heer gesteld was. Zou muziek hem niet helpen, open ze bezorgd. Goed zoek maar iemand, zei de koning lusteloos. Ik weet iemand die prachtig harp kan spelen, zei een dienaar, Ze haalden David, de zoon van Isaï. En alleen David kon met zijn toverachtige muziek de eenzame koning helemaal tot rust brengen. De sombere Saul ging van hem houden. En tegelijk haatte hij hem, omdat hij hem zo nodig had.
Ingezonden door Suzan de Boe.

Vuurproef voor Saul

Vuurproef voor Saul.


7977534

Nu gebeurde het dat koning Nahas zijn naam betekent ‘slang’ en hij was koning van de Ammonieten de stad Jabes, aan de oeverkant van de Jordaan omsingelde. Jabes was maar een kleine stad en de inwoners zeiden tegen Nahas: Laten we vrede sluiten. Nahas zei tegen die mannen goed dat wil ik wel maar alleen op voorwaarde dat ik jullie allemaal het rechteroog uitsteek! Ze zullen geen pijl meer raakschieten dacht hij en bovendien slaan ze een verschrikkelijk figuur! Angsten staken de wijze mannen van Jabes de hoofden bijeen: Geef ons nog zeven dagen dan sturen wij de boodschappers naar alle windstreken om te zien of er iemand is die ‘t voor ons opneemt. Zo niet dan geven we ons over. Nahas liet hen hun gang gaan. Zo zeker was hij ven zichzelf. Die boden kwamen ook in Giba, en daar vertelden ze alles wat er besproken was. Het barre nieuws ging van mond tot mond. En toen de mensen het allemaal gehoord hadden begonnen ze te jammeren en te schreeuwen. Maar kijk! Daar komt Saul aan zo bij de koeien vandaan. Hij zei: ’Wat schreeuwen jullie. Wat is er aan de hand? En ze vertelden alles. Toen Saul dat hoorde raakte Gods geest weer aan, precies zoals toen, tussen de profeten. En razende woede maakte zich van hem meester. Hij greep een koppel ossen hakte ze in stukken en met die bloederige vleesbrokken stuurde hij de mannen heel Israël door, tot in alle hoeken van het land met de boodschap erbij.

Wie niet onmiddellijk achter Saul staat en Samuël mee optrekt diens ossen gaan er precies zo aan. Het hele volk was diep onder de indruk. Ze vertrokken als één man achter Saul aan. In Busak inspecteerde Saul de troepen. Tegen de boden uit Jabes zei hij: Zeg maar tegen jullie mensen dat we er aan komen! Morgen worden jullie ontzet, op klaar lichte dag. De boden gingen het zeggen aan de mannen van Jabes. Wat waren ze blij! Ze lieten koning Jabes een boodschap brengen: Morgen trekken we de stad uit en dan mag u met ons doen wat u wilt. De volgende morgen verdeelde Saul zijn mannen en drie groepen. Bij zonsopgang verschenen ze al bij de tenten van de belegeraars. Ze vochten tot het heest van de dag. Toen was de strijd beslist. De vijanden werden naar alle kanten uiteengeslagen. Geen twee bleven bij elkaar. Toen zeiden de mensen tegen Samuël: Wie waren dat ook weer die laatst zeiden: Moet die Saul koning over ons wezen? Geef hier die vlegels dan slaan we ze dood! Maar Saul zei: Nee. Vandaag wordt er bij ons niemand gedood.

Want vandaag heeft Hij, onze Heer, Israël bevrijd. Nu had Israël eindelijk een koning. En is van toen allesgoed gegaan. Tobias? vroeg Oeri een paar dagen later. De jongens hadden uitvoerig aan hun oude vriend verteld wat ze van rabbi Jitri geleerd hadden. Nadenkend keek de oude Tobias naar de jongens. Nee, zei hij langzaam. Nee, eigenlijk niet goed, Samuël had gezegd: Als je nu maar doet wat de koning beveelt, en niet bij het minste of geringste ongehoorzaam bent dan hoef je niet bang te zijn. De Heer zal je niet in de steek laten en ik ook niet. Maar nu was Saul dan twee jaar koning en veel meer dan een soort schaduw figuur was hij niet. Je moet denken: niemand in Israël wist precies hoe het was om een koning te hebben. Ze waren daar nooit bij groot geworden. God was immers altijd hun koning geweest. Zelfs wist Saul ook niet altijd zo precies waar nu de grenzen van zijn bevoegdheid lagen. En het gebeurde meer dan eens dat hij in botsing kwam met Samuël de formidabele Samuël die tenslotte nog altijd alles tegelijk was: richter, priester en een profeet! Samuël Saul opdroeg de Amalekieten te verslaan. Over alle buit moest de ban worden uitgeroepen; niets mocht de koning houden, geen man, geen vrouw, geen os, geen kameel, niets! Saul voerde uit wat Samuël hem gezegd had. Alleen; de beste schapen en runderen bewaarde hij. Toen Samuël het hoorde volgde er een woede uitbarsting. En voor Saul was het een slechte beurt. Een andere keer begaf Saul zich op het terrein van Samuël, de priester. Dat was toen Saul met zijn leger in het nauwe gedreven was bij Michmas. De soldaten van Israël beseften heel goed dat ze omsingeld waren door de Filistijnen. In doodangst verstopten ze zich in holen, bosjes en uitgedroogde waterputten. Nu had Samuël beloofd te komen voor het offer de gewone gang van zaken vóór elke veldslag en Saul wachtte. Zeven dagen wachtte hij. Maar wie er kwam geen Samuël. En het volk dat hoe langer hoe benauwder werd dreigde naar alle richtingen uiteen te vluchten. Toen zei Saul: Breng alles wat we voor het offer nodig hebben hier. Als de priester dan niet komt doe ik het wel. En dat deed hij ook. Maar net was hij er mee klaar of Samuël verscheen. Onmiddellijk liep Saul de oude man tegemoet om hem eerbiedig te begroeten. Maar Samuël zei: Wat heb jij gedaan? Haastig zei Saul, struikelde over zijn eigen woorden: Ja, ik zag het volk uiteen dreigde te rennen, en u kwam niet op de afgesproken dag, en de Filistijnen liggen allemaal voor Michmas dus wat moest ik doen? Ik zei: daar komen de Filistijnen aan, en we hebben de Heer een offer gebracht.

Toen heb ik het zelf maar gedaan! Samuël zei: Schei maar uit. Dwaas die je bent. Wie is hier de priester Blijf liever op je eigen terrein. Ja, had je dat nu maar gedaan! Dan had de Heer jouw koningschap levenslang gevestigd. Nu zoekt Hij al een ander, een man naar zijn hart. En Samuël draaide zich om en ging weg. In Bethlehem heeft hij in alle stilte David, de jongste zoon van Isaï tot koning gezalfd in Sauls plaats. Dat ging zo, zei Tobias. O, dat verhaal ken ik riep Oeri, dat heeft rabbi Rachiem mij uit het hoofd laten leren! Mag ik! Ga je gang maar Oeri zei Tobias. En Oeri vertelde precies wat hij geleerd had: De Heer sprak tot Samuël: Hoe lang wil je nog treuren om Saul? Ik wil niet langer koning over Israël is. Vul je hoorn met olie en ga naar Isaï die in Bethlehem woont: Onder zijn zonen heb ik een koning gezien! Samuël zei: Hoe kan ik dat doen? Als Saul dat hoort dan vermoordt hij me! De Heer sprak: Neem een jonge koe mee en als je daar komt zeg je: Ik ben gekomen om dit kalfje voor de Heer te slachten. Nodig dan Isaï aan de maaltijd dan zal ik je wel laten weten wat je moet doen: de man die Ik je aanwijs die moet je zalven. Samuël deed wat de Heer gesproken had. Toen hij Bethlehem binnenging, kwamen de oudsten van de stad hem bevend tegemoet. Ze zeiden: Betekent je komst: shalom, vrede? Samuël zei: Shalom! Ik ben gekomen om voor de Heer een kalf te slachten. Kom samen aan de maaltijd. Hij nodigde ook Isaï en zijn zonen aan de maaltijd. En het gebeurde toen ze binnen kwamen, daar zag Samuël Eliab de geweldige en hij zei bij zichzelf: Dit is hem de gezalfde. Maar de Heer zei tot Samuël: Kijk nu niet hoe hij er uit ziet, naar zijn geweldige gestalte, want ik wil hem niet als koning! Waar mensen naar kijken daar gaat het niet om. De mensen kijken naar de buitenkant de Heer kijkt in het hart. Toen riep Isaï Abinadab, de een oudste en liet hem voor Samuël langs gaan. Maar hij zei: Ook Isaï liet Sjamma langs Samuël gaan. Maar Samuël zei: Zo liet Isaï zeven zonen langs Samuël gaan. Maar Samuël zei: tegen Isaï: Geen van hen heeft de Heer gekozen.

Toen zei Samuël tegen Isaï: zijn dat alle jongens? Isaï zei: alleen de kleinste is nog over, hij is herder; hij weidt de schapen. Samuël zei: Laat hem hier komen! Wij zullen niet eten voordat hij er is. Isaï liet hem halen. Hij had roodachtig haar mooie ogen een knappe jongen om te zien. De Heer sprak tot Samuël Zalf hem, want hij is het! Samuël nam de hoorn met olie en goot die leeg over zijn hoofd van David, de kleinste te midden van zijn broers. Oeri had het goed verteld want Tobias knikte. Nu nam hij zelf de draad weer op: het was die zelfde David die steeds een grotere rol in Sauls opvolging ging spelen. Vanaf dat ogenblik dat Samuël hem als Sauls opvolger had aangewezen maar dat wist niemand nog gelukte alles wat David ondernam. In alles wat hij deed straalde de zegen van de Heer van Hem af. Ja, wat kon David eigenlijk niet? Zelfs de Filistijnen was hij niet bang. De Filistijnen? Zijn die er eigenlijk altijd al geweest? Vroeg Uri onnozel. Tobias lachte. Je zou het wel zeggen zei hij hart grondig. Steeds opnieuw waren ze een bedreiging voor ons. En iedereen was als de dood voor hen. Alleen David niet. Trouwens je kent toch het verhaal wel dat hij als jongen al gevochten heeft met één van hun sterkste krachtpatsers? Dat was.. Laat mij dat dan vertellen! Onderbrak Jochai haastig. Want heimelijk vond hij dat verhaal het mooist: waarin een kleine jongen een reus te sterk is. Zonder antwoord af te wachten begon hij.
Ingezonden door Suzan de Boe.

Wij willen een koning

Wij willen een koning

Jezus2
De Heer is koning. Dat de aarde juichen. Monotoon en in koor zongen de joodse jongens in Babel op hun les deze psalm. Ze kenden de woorden uit hun hoofd. Vaak dachten ze er niet eens meer bij na. Maar vandaag juist voor hij naar huis wilde rennen bleef Jochai staan. De Heer is koning” herhaalde hij. , Dat is gek.” Wat is er gek? Vroeg Oeri nieuwsgierig. Hij bleef óók staan. Daar kom ik opeens vandaag op, mompelde Jochai. Moet je horen: De Heer is koning, dat staat er hé? De andere knikten. Nou hoe kan het dan dat we richters en koningen hebben gehad! Zei Jochai triomfantelijk, zo luid dat rabbi Jitri het goed hoorde. Jij bedoeld. begon rabbi Jitri. Hij lachte zowaar. Ik bedoel… zei Jochai ijverig, vond God dat dan zomaar goed? Hij was toch de koning? Zo is het bij ons altijd geweest. Wat moesten de richters dan? En de koningen die we allemaal gehad hebben? Salomo, Saul. En de beroemde David, hielp Oeri. Wat ik bedoel is: Vond God dat allemaal goed zei Jochai. Heeft Hij dan op een dag de macht opeens overgedragen? Aan richters, aan koningen, enfin aan wie dan ook? Hield Jochai vol. Ik kan je het wel uitleggen, zei rabbi Jitri. Er was eens een richter. Hij hete Samuel. Hij deed het heel goed en heel lang. Maar Samuel begon oud te worden. En hij stelde zijn beide zoons aan tot richters over Israël. Hun namen waren Joël en Abija. Die twee werden dus richters, in Bersjeba. Maar ze deden niet wat hun vader hen had voorgedaan. Ze dachten alleen maar aan zichzelf. Ze moesten eerlijk recht spreken, want een richter is immers een rechter. Maar ze namen cadeau’s aan. En de mensen die het meest betaalden die gaven ze gelijk. Zò lieten ze zich omkopen. Wat recht was en wat krom was, - hun zorg!- als ze maar goed aan verdienden! Zulk soort jongens waren dat, en het ging dan ook helemaal niet goed. Op een dag kwamen de oudsten van het land bijeen om hierover te spreken. Ze hielden een vergadering bij Samuel thuis, in Rama. En ze zeiden: Samuel, jij bent zelf nu erg oud geworden En we moeten het je maar eerlijk zeggen: je zonen doen niet wat jij hen hebt voorgedaan. Zo gaat het eigenlijk niet langer! Wij willen een échte koning als richter. Precies zoals dat bij de andere volken ook is. Allemaal hebben ze een koning. Alleen wij niet! En ze wachtten gespannen af wat Samuel daar wel op zou zeggen. Slecht werk dacht Samuel grimmig bij zichzelf, toen hij dat allemaal zo aanhoorde. Dom gepraat ook! Geef ons een koning om de leiding over ons te hebben. Toe maar! Samuel sprak met de Heer. Maar Hij zei: Luister naar hen. Luister naar alles wat ze te zeggen hebben. Jij hoeft het je niet aan te trekken. Samuel. Niet jou, maar mij hebben ze aan de kant gezet. Ik was hun koning! Vanaf de dag dat Ik ze uit Egypte helemaal hierheen heb gebracht aan toe keren ze mij de rug toe. Ze kijken mij niet meer aan. Ze luisteren naar de andere goden. En zo behandelen ze ook jou, Samuel. Stel je er maar niets meer van voor! Maar nu het eenmaal zo is, doe maar wat ze je vragen. Alleen je moet wel duidelijk maken wat het betekent om koning te hebben. En wat zo’n koning wel allemaal van hen verlangen. Al deze woorden van de Heer bracht Samuel aan het volk over. Hij zei: Jullie willen een koning? Best! Maar dan zul je toch eerst moeten weten wat een koning zal doen. Om te beginnen moeten jullie zonen in dienst. Hij zal ze nodig hebben om zijn gevechtswagens te bemannen, en op zijn paarden te rijden, die in optocht voor hem uit moeten gaan. En dan heb ik van ploegen van zijn land nog niet eens gesproken! En van het binnen halen van de oogst. En het smeden van oorlogstuig. Want dat werkmoet ook gebeuren. Jullie dochters zal die koning ook nodig hebben. Er moet worden gekookt en gebakken. En jullie land, je akkers, je velden en je wijngaarden, daar wil hij ook een gedeelte van hebben. Want zijn hofhouding en zijn soldaten moeten ook leven! En dan nog jullie knechten en dienstmeisjes, je runderen, en je ezels, jullie bokken en schapen – tien procent zal voer de koning zijn. Veel wat van jullie is, zal hij voor zichzelf gebruiken. Dat zal er allemaal gebeuren als je een koning hebt! En op een dag zullen jullie er schoon genoeg van hebben. Jullie zullen gaan jammeren, en hem kwijt willen. Maar op die dag zal de Heer geen antwoord geven! Het was of Samuel niet gesproken had! Het volk wilde eenvoudig niet luisteren. Een koning willen we, een koning net als de anderen, wij willen een koning. en dat zal hij allemaal doen: Hij zal ons leiden, onze koning. Voor ons rijdt hij, en voor ons vecht hij! Samuel hoorde al dat gepraat van zijn volk aan, hij gaf die woorden door aan de Heer. Maar Hij zei: Doe wat ze vragen, Samuel. Ze krijgen een koning! En Samuel zei tegen de mannen van Israël: Goed, ga maar terug naar je eigen stad. Een koning zullen jullie hebben!
Nu was er in de stam Benjamin een man, zijn naam was Kis, hij was een rijke boer. Hij had ook een zoon. Zijn naam was Saul. Dat betekent de verlangde. Hij was bijzonder knap om te zien. Zo’n knappe kerel vond je in heel Israël niet. Met kop en schouder stak hij boven alles uit! Op een keer waren er drie van de ezeltjes van Kis verdwenen, en Kis zei tegen zijn zoon: Ga jij ze eens zoeken Saul. Neem maar een van onze jonge knechten mee. Saul doorkruiste de bergen van Efraïm; hij door kruiste de hele provincie Sahalim, geen spoor! Ze door kruisten de provincie Jemen, maar nee hoor: niets! Tenslotte waren ze al helemaal in de provincie Zuf aan geland. Toen zei Saul tegen het knechtje dat bij hem was: Hoor eens, we gaan naar huis! Straks wordt mijn vader nog ongerust over ons, in plaats van over de ezelinnen. Goed, zei de jongen, maar weet u wel dat er in deze stad een man van God is? En een naam heeft. Alles wat hij zegt komt uit ook. Zouden we daar nog niet even langs gaan? Je kunt ’t niet weten; misschien vertelt hij ons wel op welke weg we dan wel moeten zijn! Goed, zei Saul, dat doen we. Maar wat geven we die man? Al het brood dat we bij ons hadden is op. En we hebben geen geschenken bij ons, die we zo’n man van God zouden kunnen geven. Ja, wat hebben we eigenlijk nog? Het knechtje woelde in zijn zakken. Toen zei hij: Kijk eens? Daar vind ik nog een zilvermuntstuk. Dat zal ik de man geven. Dan legt hij ons misschien uit hoe we moeten gaan. Goed gesproken jongen, zei Saul goedkeurend. Laten we gaan. En ze gingen de stad in waar die ziener moest wonen. , Een ziener? Onderbrak Jochai. Ja, wat we nu een profeet noemen, antwoordde rabbi Jitri en hij ging door met z’n verhaal: De stad lag op een hoogte, en terwijl zij klauterden kwamen ze een groep meisjes tegen die naar beneden kwamen om water te putten. Is de ziener er ook vroegen ze. Nou en of! Zeiden de meisjes. Ga maar gauw, want juist vandaag is hij in de stad aangekomen omdat het volk een feestmaal heeft daar boven op de heuvel. Als je vlug bent, nu meteen, dan tref je hem nog vòòr dat ook hij naar boven klimt, want hij moet het eten natuurlijk zegenen, eerder kunnen de gasten niet beginnen. Voortmaken, dan vind je hem wel! Snel gingen Saul en zijn knecht verder. Ze waren midden in de stad en kijk! Daar kwam Samuel hen tegemoet. Hij stond op de punt de heuvel te beklimmen. Nu had de Heer een dag vòòr Saul kwam dit tegen Samuel gezegd: Morgen om deze tijd stuur ik je een man uit het land Benjamin, en die moet je tot vorst over mijn volk zalven. Hij zal mijn volk bevrijden van de Filistijnen, want ik heb naar hun geschreeuw geluisterd, en noodkreten heb Ik gehoord. Toen Samuel zag sprak God tegen hem: Dit is hem, de man over wie ik sprak. Hij zal mijn volk met zorg leiden. Midden op het plein voor de poort liep Saul op de oude man toe en zei: Weet u het huis van de ziener soms? Samuel zei: De ziener? Dat ben ik! Ga maar voor me uit, de heuvel op, want vandaag eten jullie bij mij. Morgen stuur ik je wel verder, en alles waar je mee bezig bent, dat zal ik je uitleggen. Maar aan die ezeltjes die nu precies drie dagen weg zijn, dááraan hoef je niet meer te denken, Saul want die zijn gevonden. Ik zal jou wel vertellen waar jij van nu af aan je gedachten op moet richten. Want, wat verlangen alle mensen van Israël zo vurig? Waar gaat hun hele hart naar uit? Naar jou! En je hele familie! Vol verbazing keek Saul de oude man aan. Hij begreep er niets van! Wat bedoelde de ziener? Hoor eens, mompelde hij, verlegen, ik ben er gewoon van een Benjamin, de allerkleinste stam die er is. En in die stam is mijn familie dan nog een van de kleinste! Waarom praat u zo tegen mij? Samuel nam Saul zijn knecht mee naar het feestvertrek. Daar gaf hij Saul de ere plaats, aan het hoofd van de tafel. Er zaten wel dertig man aan! Samuel zei tegen de chef kok: Geef het stuk vlees eens, dat je voor mij apart zou leggen. En de kok haalde het, legde het voor Saul neer. Samuel zei: Dit is de ere schotel, die altijd gereserveerd wordt voor de gastheer. Hij is speciaal voor jou bewaard. Dan kan jij zeggen: Ik heb het volk uitgenodigd als mijn gasten. Zo zat Saul daar op die dag naast Samuel aan tafel! Toen het avond werd daalde ze de heuvel af, terug naar de stad. En Samuel liet voor Saul een slaapplaats klaarmaken op het dak.
Ingezonden door Suzan de Boe.

DE EERSTE CHRISTEN VERVOLGING

DE EERSTE CHRISTEN VERVOLGING.
url
De straf had niet geholpen. Het Christusgeloof verbreide zich als een lopend vuur, vooral in de arme wijken, maar toch ook in de bovenstad. Er waren zelfs priesters tot geloof in Jezus gekomen. Vooral vond het gehoor bij de buitenlandse Joden. Velen van hen hadden in Jeruzalem een huis gekocht om hun oude dag door te brengen en een stukje grond buiten de stad om later bij de heilige stad te worden begraven. Ze hadden in Jeruzalem hun eigen synagogen, waar Grieks werd gesproken, de synagogen b.v. van de Joden uit Alexandrië in Egypte of van de vrijgelaten Joodse slaven uit Rome. Bij zo’n synagoge was ook een herberg met badhuis, zodat pelgrims uit hun stad of provincie tijdens de grote feesten daar konden overnachten. Nu waren er al veel van die buitenlandse Joden overgegaan naar dat Christusgeloof. Zelfs werd er al verteld, dat sommigen hun stukje grond verkochten, en het geld daarvoor gaven aan de arme broeders in de Christusgemeente. Eén van hun rabbi’s Stephanis, verkondigde al in, dat Jezus de lang verwachte Christus was. Bij deze Joden die toch al minder streng aan de wetten vasthielden omdat zij in vreemde landen midden tussen de heidenen hadden gewoond, zagen de leiders van Israël de grootse gevaren. Stel je voor dat dit Christusgeloof in de hele wereld zou aantasten, in Klein-Azië, Griekenland, Egypte, Italië.. de leiders in Jeruzalem moesten toch als herders waken over de kudde, verstrooid over de wereld. Nu was er een jonge Farizeeër, Saul van Tarsus in Klein-Azië, een felle bestrijder van de nieuwe leer, die ongerust naar de hogepriester ging en zei: “We moeten dit vuur uittrappen voordat het zich verspreid. Ik ben het niet eens met mijn leermeester Gamaliël, hij is veel verdraagzaam. Uitroeien moeten we dit kwaad, voordat het te laat is! Saul was al met zijn vijfde jaar in Jeruzalem komen studeren aan de rabbijnen school. Als één van de ijverigste leerlingen had hij aan de voeten van de grote rabbijn Gamaliël gezeten. Hoeveel wetten en teksten hij wel niet uit zijn hoofd kon opzeggen! Zijn hoogste doel was om volmaakt te worden in het houden van enkele gebeden en geen enkele fout meer te maken.

Hij ging er helemaal in op. Daarom was hij ook zo fanatiek zodra er maar iets gebeurde, dat afweek van de Joodse wet. Omdat het geloof van Israël een wetsgodsdienst was geworden, hoorde bij de synagoge ook een strafkamer. Zij, die door de rechters veroordeeld, omdat ze de wet hadden overtreden, kregen soms van de synagoge dienaar de viertig-min-één slagen. Nu gaf de hogepriester aan Saul de opdracht om zoveel mogelijk te weten te komen over die Nazareners, - zo werden ze genoemd naar de stad Nazareth, waar Jezus vandaan kwam. Wat ze deden op de eerste dag der week samenkwamen, wat dat voor maaltijden waren, hoe ze de mensen doopten, of ze hun offers brachten, of ze baden tot die Jeshua alsof het een God was, of ze zich nog aan de Joodse wetten hielden. Saul ging aan het werk. Hij vroeg de mensen uit, in welke huizen de Nazareners samen kwamen, wie erbij hoorden, maar hij had ook spionnen. Omdat hij zelf tentenwever was, hoorde hij bij de wevers in de Kidronvallei, dat vooral de armen uit de benedenstad erbij hoorden. Nu ze hun wekelijkse steun niet meer krijgen in de synagogen, helpen de Nazareners elkaar. Iedere dag wordt er bij hun voedsel uitgedeeld. Stephanus is aangesteld als één van de zeven armverzorgers of diaken. Omdat Saul merkte, dat telkens de naam Stephanus werd genoemd, de wijze Stephanus, de Stephanus die zoveel krachten deed, de Stephanus die zo goed kon spreken en disputeren, de man vol geloof en de Heilige Geest, zoals de Nazareners zeiden.. hoopte hij dat hij hem kon aanbrengen bij de Joodse rechtbank. Wacht maar. Als hij het zou durven om ook in onze synagoge te komen! Op een sabbat, toen de rabbi Saul in zijn synagoge sprak merkte hij op dat er ditmaal veel vreemde gezichten waren. Saul, de kleine man zat in de stoel van Mozes raakte in vuur onder het spreken, sprak met wilde gebaren: Mozes heeft de wet van God gegeven al wie die wet veracht, die zij vervloekt! Wee hem, die het waagt om een mens of wat dan ook ter wereld hoger te stellen dan de wet. Er kwam een stem uit de dicht opeen gepakte menigte. Het was de stem van Stephanus.

Hij liep naar voren beklom de verhoging en begon met rabbi Saul te redetwisten: behalve de wet zijn er ook profeten, die het Woord van God hebben doorgegeven? Hebben zij niet voor zegt, dat de Christus komen zou en dat Hij anders zou zijn dan de mens verwachten? Jesaja voorspelde dat hij als een onschuldig lam zou lijden. Jezus van Nazareth, Hij is de Christus. Hij is meer dan de wet en meer dan de tempel. Saul gaf zijn helpers een wenk, het waren zijn spionnen, die nu als getuigen konden dienen voor wat Stephanus gezegd had. Zij begonnen te roepen, dat Stephanus zwijgen moest toch zijn er dan altijd wel mensen die mee gaan roepen. Zij sleurden Stephanus van het podium en hij werd naar buiten geduwd, naar het paleis van de hogepriester. Alweer een verhoor, zoals bij Jezus en bij Johannes.. De twee getuigen zeiden: deze man heeft kwaad gesproken van de wet en de heilige tempel. Stephanus nam het woord en zijn gezicht straalde als dat van een engel: wie van de profeten zijn door uw voorvaderen niet vervolgd? In uw hart zijt gij zelf heidenen. Gij verzet u tegen de Heilige Geest en ge hebt de rechtvaardige Jezus verraden en laten vermoorde. Toen zij dit hoorden, sneed hun ziel en zij knarsetanden van woede. Stephanus keek omhoog en zei: Ik zie de hemel open en de Mensenzoon staat er rechterhand Gods. Hem is de koningsmacht gegeven. Luid begonnen allen te schreeuwen en zij stopten hun vingers in hun oren om niet nog meer van zulke dingen te horen, stormden op hem los, wierpen hem de stad uit en wilden hem laten stenigen. De twee getuigen deden hun mantels uit en legde die aan de voeten van rabbi Saul. Zij wierpen de eerste stenen. Stephanus riep: Heer, vergeef het hun. Heer Jezus ontvang mijn geest. Zo stierf hij voor zijn Heer. Hij, Stephanus was de eerste martelaar. Voor een gestenigde mocht geen rouw klacht worden gezongen, maar vrome Joden die niet instemde met de terechtstelling zorgde voor een begrafenis en lieten vrouwen luid weeklagen om Stephanus. Het was niet gegaan volgens de Joodse wet. De razernij was sterker geweest dan het recht. Saul die woonde in het huis van zijn zuster kon die nacht niet slapen.

Telkens zag hij het gezicht van Stephanus voor zich.. Was het niet of hij blij was geweest om voor Jezus te sterven..? Met een ruk keerde Saul zich weer op zijn matras en begroef zijn gezicht in zijn mantel, die hem tot een deken diende, om de ogen van Stephanus niet te zien. De blik vervolgde hem. Midden in de nacht stond Saul op. Hij liep heen en weer over de binnen plaats, het trapje op naar het platte dak. Jeruzalem sliep, de heilige stad, de stad van David.. hier werden Gods heiligdom en de wetten van Mozes bewaakt. Saul wilde zijn leven geven om het ware geloof van Israël te redden. De stad moest gezuiverd worden het verkeerde geloof uitgeroeid, de hele groep Nazareners uit elkaar geslagen. Hij zou ze dwingen omdat geloof af te zweren.. Zo ontstond er in die dagen in Jeruzalem een zware vervolging tegen allen, die in Jezus geloofden. Vele vluchten de stad uit, de Jordaan over, anderen naar Samaria, en Galilea en verder nog buiten de grenzen. Saul droeg bij zich een bewijs van de hogepriester, dat hij de macht had mensen te arresteren. Met mannen van de tempel politie liep hij de stad door, doorzocht de huizen, waar de Jezus volgelingen woonden of bijeen waren, sleurden mannen en vrouwen mee en lieten hun opsluiten in de kerkers van de synagogen of van de tempel. In één dag werd rabbi Saul berucht en gevreesd in Jeruzalem. Zelfs was hij er soms bij, als de gevangenen werden gegeseld totdat ze uit riepen, dat zij niet meer in Jezus geloofden, maar de meesten onder gingen de slagen zwijgend, want zij wilden hun Heer niet verloochenen. Maar terwijl Saul en zijn mannen bezig waren dit geloof in Jeruzalem te vernietigen brachten de gevluchte tot over de grenzen de blijde boodschap mee, dat Jezus van Nazareth de lang verwachte Christus was.
Ingezonden door Suzan de Boe.


Wij maken op deze website gebruik van cookies. Een cookie is een eenvoudig klein bestandje dat met pagina’s van deze website [en/of Flash-applicaties] wordt meegestuurd en door uw browser op uw harde schrijf van uw computer wordt opgeslagen.