GEEN HINDERNIS TE GROOT.

GEEN HINDERNIS TE GROOT.

imgres
Een van die dagen gebeurde het net dat een melaatse man naar Hem toeliep. De menigte week voor hem uit, want hij kwam recht op Jezus aan Melaatsen moesten immers ver van de mensen leven, buiten de muren van de stad, al mochten zij wel in dorpen komen. Men zorgde op de weg op minstens een paar meter afstand van hen te blijven en als de wind uit hun richting kwam, bleef men nog verder uit de buurt. Soms wierpen mensen hen met stenen om hen op een afstand te houden. Eens wilde een Rabbi in een winkel niets kopen, omdat in die straat een melaatse was. Ze dachten dat het slechte mensen waren, door God met die ziekte gestraft. Op straat moesten de melaatsen zelf waarschuwen en roepen: Onrein! Onrein! Dat betekent dat niemand met hun in contact mocht komen, dat ze taboe waren. Stel je voor dat men zo iemand zou aanraken. Niet zozeer omdat men bang was voor een besmettelijke ziekte, maar meer omdat voor de strenge Joden de melaatsen een teken was van het kwade en van de dood. Als in rouw moesten ze zich gedragen, met gescheurde kleren en loshangend haar. Zij waren de uitgestotenen, de schande van Israël. Zo belangrijk was dit voor de Joden, dat er apart vertrek was bij de tempelvoorhof, waar hij die genezen was van de melaatsheid, moest komen om zich rein te laten verklaren door de priester. Twee vogeltjes moest zo iemand kopen, waarvan er één werd geofferd. De andere vogel mocht weg vliegen in de vrijheid van de wijde lucht. Zo werd de genezen melaatse ook vrij en mocht hij weer gaan en komen waar hij wilde. Daar kwam dus de melaatse naar Jezus toe, zijn toevlucht. De ongelukkige viel op een afstand voor Hem op de knieën en riep smekend: In dien u wilt, kunt Gij mij reinigen. Met barmhartigheid bewogen kwam Jezus bij hem, strekte zijn hand uit, raakte hem aan en zei tot hem: Ik wil het, word rein! En terstond verliet hem de melaatsheid. Jezus, gaf hem een strenge vermaning mee: Ge moogt aan niemand vertellen wat er gebeurd is, maar ga naar de tempel, toon u aan de priester en offer voor de reiniging wat er in de wet van Mozes staat. Zo zond Jezus hem als een getuige naar de tempel. De genezen man kon het niet laten om aan de eerste de beste voorbijganger te vertellen wat er gebeurd was en het overal in de omtrek telkens weer ruchtbaar te maken, zodat Jezus niet meer openlijk de stad kon binnenkomen zonder door nieuwsgierig opdringen de menigte omstuwd te worden. Daarom bleef Hij in de bergen en hield zich op in eenzame plaatsen. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe. Toen Hij weer in Kapernaüm gekomen was, hoorde men enige dagen later dat Hij thuis was. Het gerucht ging op de markt van de een na de ander en daar kwamen de mensen haastig uit huis weggelopen, nieuwsgierig om weer een wonder te zien. Ze treuzelden eerst voor het poortje, praten met elkaar, liepen langzaam de binnenplaats op en toen enkelen binnen waren, durfden de anderen ook. Het werd voller en voller, zò dat men elkaar opzij duwde en naar voren drong. Plotseling week de menigte uiteen, men boog, want daar kwamen een paar schrift geleerden, die door de poortjes naar binnen wilden. Rabbi’s op bezoek bij Jezus van Nazareth! Wie achter aan stond, ging op zijn tenen staan om goed te zien, hoe Jezus de Rabbi’s begroete. Zij mochten op de bank zitten onder de galerij. De schrift geleerden waren gekomen, omdat ze graag wilde weten wat Jezus deed. Het was de laatste tijd veel besproken in de raadskamer van de synagoge. Men had het gevoel dat hij veel meer invloed had dan een gewone prediker, het volk liep hem achterna en hij deed vreemde dingen. Hield hij zich wel precies aan de wet? Toen begon Jezus te spreken. Hij stond met zijn rug naar de schrift geleerden en richtte zich tot de mensen, die hongerig stonde te luisteren Ze vergaten helemaal dat ze uit nieuwsgierigheid gekomen waren en dat ze zich bijna niet konden verroeren, zo dicht stonden ze op elkaar gepakt. Hij bracht hen zijn woord naar een andere wereld van Gods kracht en heerlijkheid. Steeds meer mensen kwamen en proberen zich naar binnen te dringen, maar het ging niet meer. Ze moesten op straat blijven staan en konden niets horen. Toen zagen ze vier mannen aankomen, die op een matras een verlamde droegen. Sinds jaren kon die man niet meer lopen. Ze waren op weg naar Jezus. Met hen, die op straat stonden werd er overlegd hoe ze binnen konden komen, maar niemand op de binnenplaats week ook maar een duimbreedte opzij. Wie wilde er nu weg? De verlamde man had al zijn hoop gesteld op dit ogenblik. Hij had gehoord dat Jezus thuis was. Nu hadden ze hem erheen gedragen. Hij kon niet meer wachten. Nu terug naar huis gaan leek hem een terugkeer naar een grotere duisternis dan ooit te voren. Kon niemand hem nu helpen? Breng mij naar Jeshua! Riep hij schor. Zijn dragers legden hem op straat neer en bespraken wat ze doen zouden. Toen namen zij de matras en gingen het trapje op dat naar het dak leidde boven de plek, waar Jezus onder de galerij stond, en lieten de verlamde met de matras naar beneden zakken. Daar lag hij nu, vlakbij Jezus. Jezus, zag hun geloof en zei tot de verlamde: Kind, wat u God hebt aan gedaan, Uw zonde is U vergeven. De mensen die achteraan stonden strekten hun hals uit om te zien of de man al beter was geworden en de mannen op het dak gluurden door de opening of er al iets gebeurd was. De schrift geleerden keken elkaar aan en fluisterden: Hoort U, wat hij voor godslasterlijke dingen zegt, want wie kan zonden vergeven dan alleen God zelf? Zoiets mag een mens toch niet zeggen. Hij stelt zich in de plaats van God! Jezus, wist wat rabbi’s dachten en zei: Waarom denkt u deze dingen in uw hart? Wat is gemakkelijker te zeggen: Uw zonden zijn U vergeven, of Sta op en wandel? Maar omdat u moogt weten dat de Mensenzoon macht geeft op aarde te vergeven. Zal ik zeggen tot de verlamde: Neem uw matras op en ga naar huis. En de man stond op nam terstond zijn matras op - weken de mensen uiteen, als voor een heilige- en zij zagen hem naar buiten lopen. Allen die er bij stonden waren ontsteld, zij verheerlijkten God en zeiden: Zo iets hebben we nog nooit gezien!
Ingezonden door Suzan de Boe.
.

Jezus wandeld op zee

JEZUS WANDELT OP DE ZEE.


WandelWater
DE zon was ondergegaan. De nacht was gekomen. En de duisternis had zich uitgebreid over de aarde. Op de donkere helling van een berg aan de oostzijde van het meer van Galilea lag een eenzamen man geknield tussen de rotsen. Het was Jezus. Hij bad. De sterren schitterde boven Hem en spiegelden zich in het donkere meer. De uren vervlogen, maar hij scheen het niet merken. Toen stak de wind op en rumoerde over de bergen. Hij nam toe in kracht en stortte zich van boven af op het meer. Hij zweepte de golven op tot de bergen van water, met toppen van schuim. Het werd noodweer. Maar Hij, daar op de berghelling scheen het niet te merken. Als Jezus bad was Hij heel dicht bij zijn Vader; dan scheen het alsof zijn ziel in de hemel was opgenomen. Maar eindelijk stond Hij op, versterkt en bemoedigd. Hij stond in de loeiende storm, in een dichtte duisternis en zag om zich heen. Voor zijn ogen was niets verborgen. Hij zag de zee en de schuimende golven en ver weg, midden op het meer een scheepje. In dat scheepje waren twaalf mannen, die zich inspanden om tegen de wind te roeien, die zich aftobden om voort te komen. De duisternis bedekte hen. Ze konden elkaar nauwelijks zien. Maar voor Hem was de nacht licht als de dag en Hij zag zelfs de angst in hun ogen. Hij daalde het donkere pad af en kwam aan het strand. Zijn ogen waren op het scheepje gericht. Zijn hart was bij zijn discipelen. Wie zou het verhinderen als Hij te hulp wilde komen? Zijn voeten droegen Hem het strand op, recht op de bruisende golven aan. Die bogen gehoorzaam de schuimkoppen voor hun Heer en Meester; ze wierpen zich voor Hem neer en droegen Hem. Over die golven door de duistere stormnacht, wandelde Jezus recht op het schip aan.
Toen de discipelen de vorige avond op het bevel van hun Meester in het schip waren gegaan en met tegenzin van wal waren gestoken, waren zij dicht bij de kust heen en weer blijven varen, want zij dachten dat Jezus zich nog bij hen zou voegen. Maat toen het donker was geworden, was Hij nog niet gekomen. Hun mismoedigheid werd er nog groter door. Zij hadden het zo goed met hun Meester voor, ze hadden Hem en zichzelf een schitterende toekomst willen bereidden en voor een roem willen zorgen. Maar Hij had niet gewild. Vertrouwde Hij hen niet?... En had Hij hen nu ook nog vergeten?... Duister en ruw was de avond. De wind stak op een sterke tegenwind, die de golven met kracht uiteen deed spatten tegen de boeg. Maar zij moesten naar de overzijde, want de Meester had bevolen en zij spanden al hun krachten in, maar kwamen slecht vooruit. Na meer dan een halve nacht van roeien en zwoegen. waren zij nog maar vijf of zes kilometer verder gekomen. Om een uur of drie in de nacht bij het begin van de vierde nachtwake waren zij nog midden op de zee. Zouden zij wel ooit hun doel bereiken?... Ze dachten aan die vorige nacht toen ook zo erg was met de storm. Toen hadden ze zich bang gemaakt voor niets. Want toen was Jezus hij hen. Hij lag rustig te slapen in het achterschip en toen ze Hem wekten had Hij met een enkel machtig woord de wind en de zee gekalmeerd. Maar nu was zijn plaats leeg. Nu had Hij hen alleen gelaten en waren ze overgeleverd aan het geweld van de storm, aan de boze duistere machten, die tegen hen woedden… En zie, wat was dàt? Een wit gedaante die over het donkere water het schip voorbij zweefde? Een manegestalte die wandelde op de golven? Ze schrokken vreselijk en schreeuwde het uit. Een spook. Het is een spook. Maar een vriendelijke stem riep: Houd moed, Ik ben het, wees niet bevreesd! Die goede bekende stem stilde en een ogenblik hun angst. De Meester! Stamelde ze De Meester is daar!... Ze dachten aan geen wind en geen golven meer. De Meester was bij hen! Had Hij hen tòch niet vergeten? Kwam Hij nu dwars over het water naar hen toe? Wie was Hij dan, dat Hem dat mogelijk was?... Simon Petrus was de eerste die spreken kon na die grote verbazing. Een juichende vreugde steeg in hem op, een vurige liefde voor de Meester, die hun niet alleen gelaten had. Hij wilde bij Hem zijn, hij had zo naar Hem verlangd! Petrus kòn niet langer wachten hij moest naar zijn Meester toe. Here,, riep hij, als Gij het zijt, beveel mij dan tot U te komen over het water…”Jezus zei: kom! ”Eén woord was het slechts. Maar voor Petrus, geloof, dat plotseling groot en sterk in hem stond, was het genoeg. Zonder vrees, zonder na te denken, klom hij over boord, de schitterende ogen op Jezus gericht. Vast en zonder aarzelen zette hij zijn eerst stappen op het water. Het water droeg hem. Jezus was weer Heer over de golven. Petrus door zijn geloof in Hem, was het ook. Het drong ineens tot hem door, hoe wonderlijk dat eigenlijk was. Hij had er eerst niet aan gedacht, hij had alleen aan Jezus gedacht. Nu keek hij verbaasd omlaag naar die zwarte levende vloer onder zijn voeten. Droeg die hem werkelijk?... Hoor, hoe de wind waaide! Zie, hoe de golven opzweepte! Bergen van water rolden op Petrus aan. Petrus vergat er de Meester door. Hij zag nu alleen zichzelf in het water, hij zag alleen het gevaar. En plotseling, even snel als straks zijn geloof, steeg nu de angst in hem op en ineens zonk hij weg in de diepte. , Here red mij!” schreeuwde Petrus en zijn strekte handen naar Jezus uit. Toen voelde hij ook reeds de hand van de Meester, die hem aangreep en optrok en hij hoorde Hem vragen, Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?” Ze liepen hand aan hand naar het schip en klommen er in. De wind ging liggen. De zee was vlak als een spiegel. Toen de discipelen dit nieuwe wonder zagen, wierpen ze zich voor Jezus neer en stamelden, Waarlijk  Gij zijt Gods Zoon!” en terwijl de eerste glans van het morgenrood de toppen der bergen kleurde, meerden  zij veilig hun schip aan de oever.
Ingezonden door Suzan de Boe.

Ga je mee op zoek?

Ga je mee op zoek?

driekoningen1

Chris, Chris roept moeder van uit de keuken. Chris, wil je even de post uit de brievenbus halen? Chris van Walderveen zit lekker in zijn spannende boek te lezen wat hij heeft uitgekozen met kerst voor school. Eigenlijk heeft hij niet veel zin om de post uit de brievenbus te halen want het is erg koud buiten. Toch maar even snel doen denkt Chris. Hij rent naar de brievenbus vooraan aan de weg. Pakt snel de stapel post eruit en rent weer naar binnen. Kijk eens moeder wat een stapel kaarten vandaag er weer gekomen zijn! Ja, Chris woont in de pastorie, zijn vader is dus dominee, en daarom sturen heel veel mensen van de kerk een kerstkaartje naar de Fam. Walderveen. Samen met moeder bekijkt Chris de kaarten. Plotseling zegt hij; Hè deze is speciaal kaart voor mij! Kijk maar het staat er op Voor Chris Walderveen, Dorpstraat 25. Snel maakt hij de envelop open en kijkt nieuwsgierig naar de kaart. Aan de voorkant van de kaart staat; Ga je mee op zoek? Nee, dat is geen kerstkaart, maar een uitnodigingskaart. Binnen in leest Chris: Hallo Chris, dinsdag hoop ik mijn verjaardag te vieren. We gaan schatgraven bij ons in het bos. We beginnen op twee uur en om ongeveer zes uur is de zoektocht afgelopen. Ga je mee op zoek? Groetjes Danny.

Chris heeft er nu al zin in. Leuk. Bij de verjaardag van Danny doen ze altijd leuke dingen in het bos. Breng eerst maar even deze post naar vader in de studeerkamer zegt moeder. Als Chris de studeerkamer binnen komt is vader druk aan het praten met iemand aan de telefoon. Chris legt de post op zijn bureau, en zachtjes loopt Chris de studeerkamer uit. Hij hoort nog dat vader zegt: Ja bij ons in de kerk is het precies net zo gegaan. Ook ‘s nachts. Chris loopt door naar de kamer en gaat weer verder lezen in zijn boek. Eindelijk is het dinsdag. Chris heeft vandaag verjaardag van Danny. Hij roept: Mam ik ga hoor! Dag Chris doe je voorzichtig, veel plezier hoor! Roept moeder hem na. Daar gaat Chris op zijn fiets. Hij fiets snel door. Onderweg ziet hij ook kinderen uit zijn klas. Allemaal gaan ze naar de verjaardag van Danny. Danny heeft heel de klas uitgenodigd. Er zitten 10 kinderen in groep 6. 5 jongens en 5 meisjes. Daarom mochten ze allemaal komen. De vader van Danny had gezegd: Er is ruimte genoeg in het bos hoe meer er zijn hoe spannender. Danny’s vader is jacht opziender. Hij weet dus heel veel over het bos en de dieren. Ze wonen dan ook aan de rand van het bos. Als iedereen er is wordt het spel uitgelegd. Op het kaartje stond: Ga je mee op zoek. Het spel heet schatgraven. Danny’s vader zegt: Jullie gaan zo het bos in op zoek naar een schat die ik vanmorgen heb begraven. Jullie gaan in groepjes van twee. Een jongen en een meisje. Julie krijgen drie dingen mee: 1 een kaart van het bos. Middenin op de kaart staat een cirkel.

Ergens binnen in die cirkel ligt de schat begraven. Blijf op de paden lopen, want dit is een beschermd bos. Auto’s mogen hier niet komen dus daar hoef je niet voor uit te kijken. Let onderweg maar eens goed op of je je dieren nog ziet. Dat kan alleen maar als je heel stil bent. 2. Je krijgt een schep mee, waarmee je de schat kunt opgraven. 3. Je krijgt een fluitje mee waarop je heel hard mag blazen wanneer je de schat hebt gevonden. Dan weten de anderen ook dat het spel afgelopen is en gaan we allemaal weer naar huis. Dan nog een belangrijk ding: ik heb boven de schat een rood paaltje in de grond gezet. En de schat ligt begraven in een rode plastic tas. Nou allemaal veel succes en let op dat je elkaar niet voor de voeten loopt want dan is het niet leuk meer. Het bos is groot genoeg en iedereen heeft evenveel kans. Tot straks. Daar gaan de kinderen, allemaal met een kaart en een schep en een fluitje. Het eerste stukje rennen er wat snel weg. Maar na een poosje loopt iedereen heel stil rond te speuren. Ze zien van alles. Doordat er iets sneeuw op de grond ligt kun je ook de sporen van voetstapjes van dieren zien. Danny heeft van zijn vader geleerd van welke dieren die sporen zijn, zoals van ree, konijn en een wild varken. Hij legt het aan Marleen uit waar je precies op moet letten. Chris en Anneke lopen een eindje verderop in het bos. ’t hier al wel een beetje donker vind je niet Chris? Zegt Anneke. Ben je soms bang? Plaagt Chris. Nee, helemaal niet zegt Anneke stoer. Laat de kaart nog eens zien zegt Chris. Ja, zo te zien lopen we nu in het gebied binnen in de cirkel dan moeten we goed opletten of we iets verdachts zien. Na een tijdje zegt Anneke: Kijk! Voetstappen! Ze volgen deze, maar komen even later weer op het zelfde punt uit. Het waren hun eigen voetstappen. Ze hadden gewoon een rondje gelopen. Wel een beetje dom natuurlijk. Hier gaan we links zegt Chris want dit schiet ook niet op. Zouden we dat wel doen zegt Anneke. Die dennenbomen staan daar wel heel dicht op elkaar. Het is daar zo donker. Daar heeft Danny’s vader de schat vast niet begraven. Natuurlijk juist wel zegt Chris anders is het veel te makkelijk. Chris gaat voorop en Anneke komt vlak achteraan. Ze kijkt nog eens achterom en ziet daar ook Danny lopen.
Ze zwaait nog een keer naar Danny. He moet je eens kijken zegt Chris. Bandensporen van een auto. Ik meende toch dat Danny’s vader zei dat dit een beschermd gebied was. Hier mogen toch geen auto’s komen? Misschien heeft hij wel zelf de auto gebruikt vanmorgen en heeft hij toen hier vlakbij de schat begraven. Ja, kijk hier stond de auto stil en hier voetstappen. Maar hier is niets meer. Hoe kan dat nu zegt Chris. Hij kijkt nog eens goed om zich heen. He kijk, daar een groen paaltje. Kom op met die schep. We hebben de schat gevonden. PFF, hij heeft hem wel diep begraven zeg. Ik krijg het er warm van zegt Chris. Maar dan stoot hij op iets hards, Ja hoor ik heb hem, maar het zit in een kist en niet in een plastic rode tas. Hoe kan dat nou? Het is ook wel erg groot. Anneke buigt zich over het gat dat Chris heeft gegraven. Wat doen jullie hier! Blijf van mijn spullen af! Twee boze mannen grijpen Anneke en Chris achter hun kraag. Plakken hun monden af met breed plakband en binden hun handen vast op hun rug. Voordat ze in de gaten hebben wat er allemaal gebeurd, worden ze snel achter in een bestelbusje geduwd. Het is er helemaal donker. Even gaat de deur open en word er nog wat achter in het busje gegooid. Dan rijden ze snel weg. Wat gebeurd er toch allemaal. Chris en Anneke begrijpen er niets van.
Ondertussen zoeken de ander kinderen in het bos verder. Peter en Silvia hebben een rood paaltje gevonden, Ja hoor zij hebben de schat. Snel graaft Peter en haalt de rode plastic tas naar boven. Ja, hoor zij hebben de schat. Vlug kijken Silvia en Peter wat er in zit. Oh heerlijk een grote zak met chocolade munten. Dat wordt smullen. Oh ja, zegt Silvia nu snel heel hard op het fluitje blazen want wij hebben gewonnen. Ook Danny en Marleen horen het fluitje ah jammer een ander heeft de schat gevonden. Dan nu allemaal naar huis. Maar juist op dat moment hoort Danny ook een auto. Maar dat kan helemaal niet. Dat mag hier niet. Dat zijn vast stropers, vader heeft verteld dat er weer stropers in het bos bezig zijn, maar die zijn er meestal ‘s nachts. Nog net achter een boom ziet Danny een zwart bestelbusje weg rijden. Hij kijkt naar het nummerbord FF- 29-NN. Goed onthouden Marlies, FF-29-NN, straks aan vader vertellen, misschien hebben we nu de stropers te pakken.
De kinderen lopen allemaal terug naar het huis van Danny. Zo wie heeft er goed gezocht en de schat gevonden. Zegt Danny’s vader. Oh ja ik zie het al Peter en Silvia. Nou jullie mogen de schat lekker zelf houden, want jullie hebben hem ook eerlijk gevonden. Maar nu gaan we allemaal lekker pannenkoeken eten. Jullie zullen wel trek hebben, Moeder heeft een grote stapel gebakken, terwijl jullie aan het schat zoeken waren. Als iedereen aan tafel zit, zegt moeder: Er zijn toch 10 kinderen? Waar zijn Chris en Anneke nou gebleven, zouden die nog in het bos zitten? Heeft iemand hen nog gezien? Danny verteld dat hij Anneke nog gezien heeft bij het donkere dennenbos. Maar zegt Danny, ik heb ook nog een bestelbusje gezien in het bos. Ik dacht dat die van de stropers waren. Ik weet nog het nummerbord, FF-29-?. Hoe was het ook alweer Marleen? Oh ja, FF-@9-NN. Vader schrijft het op. Gaan jullie alvast maar eten zegt vader, dan ga ik alvast zoeken naar de kinderen. Na een poosje komt vader terug, hij kijkt bezorgd, maar hij heeft niets gevonden. Wel bandensporen en voetstappen in de sneeuw, maar geen kinderen. Gaan jullie allemaal maar naar huis, dan zal ik de ouders van Chris en Anneke en de politie waarschuwen. Zo eindigt de spannende verjaardag heel akelig. Vijftig kilometers verderop rijdt een zwarte bestelbus over de snelweg. Leo en Koos zitten voorin. Zeg Koos, zegt Leo. Hoe gaan we dit nu verder doen. Begin je nou alweer te zeuren. We gaan gewoon door volgens het plan Koos. We hebben bijna het geld te pakken en dan nu door zo’n paar lastige wijsneuzen de boel in de war laten sturen, nou mooi niet hoor. We gaan door! We moeten opschieten. We hadden al in Duitsland moeten zijn. Eerst nog even die kinderen ergens, opsluiten, anders gaan ze gelijk naar de politie. Dan stopt de auto, Chris en Anneke worden uit de auto gehaald. Ze zien een schuur. Daar worden ze naar binnen geduwd. Het touw gaat van hun handen af en het plakband van hun mond. Maar gelijk achter hun gaat de deur op slot. Ze trekken en duwen wat ze kunnen, maar er is geen beweging in te krijgen ze kunnen er nooit uit. Ze roepen HELP, HELP, HELP! Maar er is niemand die hun hoort. Ze zitten alleen in een schuur met wat schapen en er ligt wat hooi. Daar zitten ze dan midden in het hooi, midden in de nacht. Helemaal donker. Helemaal alleen. Anneke begint te huilen. Ik wil naar huis, ik wil naar mama, ik ben bang! Chris snikt ook :Ik wil hier ook weg hier, ik wil ook naar mama! Weetje, zegt Chris na een poosje, weet je waar ik net aan moest denken. Aan het verhaal met kerstfeest van de herders, die moesten gaan zoeken naar het Kindje in de kribbe in Bethlehem. Ze wisten niet precies waar ze moesten zijn. Ik weet zeker dat jouw vader en moeder nu aan het zoeken zijn naar ons. Zullen we samen bidden Anneke? Bidden of de Heere God papa en mama willen helpen met zoeken om ons te vinden? En dat doen ze, samen vouwen ze hun handen en sluiten hun ogen vragen aan de Heere God of die hun weer veilig thuis wil brengen en of de mensen die hun aan het zoeken zijn hen toch snel mogen vinden. Ze worden er allebei rustig van en vallen even later in slaap.
Het is de volgende ochtend. Er lopen mensen naar een schuur midden in een weiland. Anneke! Roept een stem Chris roep een andere stem. Mama! Roepen Anneke en Chris tegelijk. Ze rennen naar de deur, maar die zit op slot. Hier! Hier! Hier zitten we roepen ze. Daar gaat de deur open. Chris en Anneke vliegen hun vader en moeder in de armen. O, gelukkig jullie hebben ons gevonden. Chris vraagt: Maar hoe wisten jullie dat wij hier zaten? Vader vertelt dat nadat Chris en Anneke spoorloos waren verdwenen, gelijk de politie was ingeschakeld. Daar dat Danny het nummerbord van het bestelbusje had onthouden, had de politie groot alarm geslagen. En zo hadden ze het busje aangehouden op een snelweg vlak bij de Duitse grens. In het busje lagen allemaal gestolen spullen uit kerken. Heel veel Statenbijbels, (van die grote oude Bijbels, die spullen zijn heel veel geld waard ) en ander kostbare spullen. Ook de spullen die bij ons in de kerk waren gestolen, lagen in dat busje zegt vader. Die Koos en Leo zijn meegenomen naar de gevangenis en hebben daar verteld waar ze jullie hadden opgesloten. Toen zijn we natuurlijk direct naar jullie toe gegaan. Iedereen is blij en dankbaar dat de kinderen weer gevonden zijn en gaan allemaal weer naar huis. Chris gaat thuis eerst lekker in bad en dan naar bed. Hij is nog erg moe van al die spanning. De volgende dag is het kerstfeest van de zondagschool in de kerk. Meester vertelt het verhaal van de geboorte van de Heere Jezus in de stal van Bethlehem. Als Chris dat hoort moet hij weer denken aan wat er ’s nachts in die schuur met hem en Anneke is gebeurd. Gelukkig zijn zij gevonden. En nu kunnen zij allemaal samen het kerstfeest vieren. Niet meer aan die nare dingen denken.
Het is een paar maanden later. Het gaat goed met Chris. Zo af en toe droomt hij nog wel eens over het angstige avontuur wat zij beleefd hebben, maar gelukkig wordt dat steeds minder. Op een dag zei vader tegen Chris: Zou je wel met mij mee willen op bezoek naar de gevangenis? Naar de gevangenis? Wat doen? Naar wie? Naar die dief Leo die jou ook heeft mee genomen. Nee, hoor zegt Chris, daar ga ik niet meer naar toe. Die man zit veilig achter de tralies, laat hem daar maar mooi zitten. Die man wil ik
nooit weer zien. Ik weet dat het misschien wel moeilijk is voor jullie, maar je hoeft echt niet meer bang te zijn, hij is erg veranderd. Ik heb ook Anneke gevraagd en zij gaat mee, als jij ook mee gaat. Een beetje aarzelend zegt Chris, nou goed dan als Anneke ook gaat ga ik ook mee, maar niet alleen U moet ook mee. En zo gebeurt het dat ze samen op bezoek gaan naar de gevangenis. Daar zien ze Leo zitten op een stoel. Het hoofd naar beneden. Hij schaamt zich en durft de kinderen bijna niet aan te kijken. Dan begint hij te vertellen. Dat de vader van Chris hem heeft op gezocht. En dat ze ingebroken hadden in de kerken en kostbare spullen mee hadden genomen. Vooral Statenbijbels. Hij had nog nooit een Bijbel gezien. Totdat de vader van Chris hem er een had gegeven. Die had gezegd: Je heb er zoveel gestolen, maar deze krijg je van mij cadeau, lees er maar veel in en als je iets niet begrijpt zal ik proberen om het je uit te leggen. Ik ben begonnen met lezen eerst begreep ik er niet veel van, maar jouw vader heeft mij veel verteld en uitgelegd. Ik begon steeds meer te begrijpen wat een verkeerd en zondig leven ik heb gehad, maar ik heb ook mogen leren dat de Heere mij mijn zonden wil vergeven door de Heere Jezus. Daarom wil ik jullie nu ook vragen of jullie mij ook willen vergeven want ik heb jullie erg bang gemaakt en veel verdriet gedaan. Daar heb ik erg veel spijt van. Een beetje verlegen geven Chris en Anneke Leo een hand en zeggen dat ze hem alles willen vergeven. Weet je wat ik zo’n mooie tekst vindt uit de Bijbel? Zegt Leo “Zoek eerst het koninkrijk van God ”Ik wou altijd rijk worden. Daarom ging ik zoeken naar kostbare spullen, om die te stelen. Maar uiteindelijk werd ik helemaal niet gelukkig. Ik kwam zelfs in de gevangenis terecht. Maar nu hier in de gevangenis heb ik pas geleerd wat belangrijk is. Ik heb het alle kostbaarste gevonden: En schat in de hemel. De Heere Jezus.

imgres
Zo mogen wij ook zoeken naar het Kind Jezus in de kribbe. Hij is naar deze aarde gekomen om ons te verlossen van onze zonden. Hij alleen kan ons voor altijd echt gelukkig maken! Ga je mee op zoek? Want wie zoekt die vindt!
Ingezonden door Suzan de Boe.

ZACHEUS.

ZACHEUS.
url
Er was nog iemand in Jericho, die naar Jezus verlangde. Geen bedelaar, maar een rijke man die in een mooi huis woonde. Maar toch werd hij even goed geminacht als een blinde. Erger nog: hij werd gehaat door de hele stad. De mensen bespuwden zijn stoep en zijn deur, wanneer ze ‘s avonds in het donker voorbij kwamen. Ze wendden hun hoofd af als ze hem ontmoeten op straat en vervloekte hem in stilte. Want hij was een tollenaar! Oppertollenaar was hij zelfs en in Jericho een welvarende handelsstad, was hij vlug rijk geworden. Met zijn knechten hield hij de karavanen aan, die uit het oosten kwamen beladen met allerlei koopwaar en eiste zijn deel als schatting voor de Romeinen. Hij had zijn tolhuis, zijn kantoor, bij de poort en niets kon passeren waarvan hij niet de invoerrechten ontving. Maar een groot deel daarvan verdween in zijn eigen zakken en hij werd er steeds rijker van. Toch maakte al dat geld hem niet gelukkig. En zijn mooi huis met de kostbare tapijten en sieraden gaf hem geen bevrediging. Zacheus voelde zich maar eenzaam en ongelukkig want hij leed onder de haat en de minachting van zijn mede burgers. Een verrader noemden ze hem, omdat hij een jood, de Romeinen diende, de verdrukkers van zijn volk. Een dief en een zondaar noemden ze hem. Zacheus voelde zich ook erg zondig en hij dacht dat God hem ook wel zou verachten. Daar leed hij het ergste onder want in zijn hart was een groot verlangen naar God. Hij zou er al zijn rijkdom voor over hebben als hij God hem weer in genade wilde aannemen. Maar God zou zich om hem wel niet bekommeren.
Toen hoorde hij van Jezus. Die scheen de tollenaars niet te verachten. Hij werd zelfs smalend een vriend van tollenaren genoemd, en onder zijn discipelen moest ook een tollenaar zijn.
In Zacheus wanhopig hart kwam een beetje hoop. Misschien was zijn leven toch nog niet helemaal mislukt, misschien was er nog redding voor hem. Hoe meer hij er over dacht, hoe meer hij er naar verlangde, met Jezus te spreken en het hart voor Hem uit te storten! Toen Jezus in Jericho binnen kwam wilde ook Zacheus Hem zien. Meer nog niet; alleen maar zien. Zijn eenzaam leven had hem wantrouwig gemaakt en al die geruchten over Jezus goedheid waren misschien overdreven. Maar als Zacheus Hem zag dan zou hij het weten en kon hij immers naar Hem toegaan? Daar stond hij dan in zijn deftige mantel aan de kant van de weg waar Jezus langs zou komen, en hij zag niets! Want een dikke haag van mensen die allen op Jezus wachtten stond reeds langs de weg geschaard. Zacheus was maar klein en als hij op zijn tenen stond keek hij nog tegen al die hoofden en ruggen aan. Natuurlijk ging ook niemand voor hem opzij. Jezus, was al dichtbij; de mensen vooraan zagen Hem al. Zacheus liep gejaagd verder de naderende stoet vooruit maar ook daar was een groot gedrang. Heel Jericho was uitgelopen. De angst greep Zacheus aan dat hij Jezus niet zou zien. En toen hij een wilde vijgenboom zag, vergat hij zijn deftigheid liep er snel heen en klom erin. Het was een gemakkelijke boom met takken tot laag bij de grond. Daar kon hij nog wel inkomen al was hij geen jongen meer. Al gauw zat hij hijgend op een dikke stevige tak, hoog boven het volk en boog de bladeren opzij om naar beneden te gluren. En dat de mensen hem uitlachen en bespotten kon hem niets schelen. Hij zou Jezus zien.
url
Een grote stoet naderde langzaam, En plotseling daar zag Zacheus naar wie hij zo verlangd had. Hij zag Jezus en zijn gestalte, zijn gezicht en opeens zag ook zijn ogen, zachtmoedig en goed, want Jezus keek omhoog naar de vijgenboom. En toen kwam de grootste verrassing in Zacheus zijn leven want Jezus bleef staan en zei, heel eenvoudig, alsof Hij hem al jaren kende: ,,Zacheus kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven.” , In mijn huis? Dacht Zacheus verward, in mijn huis, waar geen Jood een voet wil zetten? Maar zie Jezus stond te wachten Hij meende het echt! Ja, Here ik kom, stamelde Zacheus en haastig gleed hij uit de boom. Eerbiedig ging hij naast Jezus door het gedrang van de mensen. En het jubelde in zijn hart: Als Hij, op wie heel Israël hoopt, in mijn zondig huis wil overnachten, dan is er nog redding. Dan zal ook God mij nog willen horen! En met grote blijdschap ontving hij Jezus in zijn huis.
Daar buiten verdrongen zich de mensen die niet konden begrijpen dat Jezus binnenging bij zo’n verachte tollenaar, bij zo’n afzetter, zo’n verrader van zijn volk. Er waren toch andere huizen genoeg van vrome godsdienstige Joden! En ze mopperden verontwaardig: Hij is bij een zondig mens binnen gegaan om zijn intrek te nemen.
Zacheus wist zelf, hoe zondig hij was. Nu Jezus in zijn huis gekomen was en te midden van al die pracht op een kostbare rustbank zat, nu voelde Zacheus zijn zonden nog dieper. Elke penning die hij onrechtvaardig verkregen had klaagde hem aan. Hij moest Jezus duidelijk maken dat hij een ander, een nieuw leven wilde beginnen; dat hij alles voor God over had. En plotseling ging die kleine deftige man voor Jezus staan, zag eerbiedig naar Hem op en zei: Zie de helft van mijn bezit, Here geef ik aan de armen; en indien iemand iets heb afgeperst, vergoed ik het viervoudig. Toen verheugde Jezus zich want Hij zag het geloof in Zacheus ogen. Hij hoorde het in zijn stem. En Hij zei: Heden is aan dit huis redding geschonken omdat ook deze een zoon van Abraham is. Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden. Zoals in de gelijkenis de verloren zoon naast zijn vader zat, zo zat nu Zacheus naast Jezus aan tafel. Het was een geluk dat geen mens hem ontnemen kon. Want al verachtte het volk hem, God had hem in liefde aangenomen.
Ingezonden door Suzan de Boe.

TWEE SCHULDENAARS.

TWEE SCHULDENAARS.
034
Simon de Farizeeër had een feestmaal laten aanrichten in zijn huis. In de grote zaal waren de tafels gedekt en de ligstoelen bij geschoven. De deuren waren wijd geopend en in het voorhuis stonden de knechten gereed, om de voorname gasten te bedienen. Simon wist hoe het hoorde. Hij ontving zijn gasten met veel eer en liet hun bestoven voeten wassen, hun hoofd zalven met heerlijke riekende olie en hun kleren besprenkelen met rozen water. Hij omhelsde zijn vrienden en voerde ze dan naar binnen om ze een plaats te wijzen aan zijn dis… Toen kwam ook Jezus daar binnen. Ook Hem had Simon genodigd. Eigenlijk hoorde Hij niet in dat deftige gezelschap de eenvoudige rabbi van Nazareth en Hij mocht ook wel erg blij zijn dat Simon Hem die eer had waardig gekeurd. Simon wilde wel eens rustig met Hem praten want hij wist eigenlijk niet wat hij van Jezus denken moest. Het volk fluisterde dat Hij een profeet was en volgde Hem in grote menigte. Maar anderen de schrift geleerde noemden Hem een bedrieger en een verleider. Om dat te kunnen onderzoeken had Simon Hem maar eens te eten gevraagd. Jezus kwam. Hij kwam toch, ofschoon Hij alles begreep. Maar veel plichtplegingen maakten Simon niet met die eenvoudige gast. Hij ontving Hem koel en hooghartig en wees geen der dienaren aan om Hem te verzorgen. Zò als Hij gekomen was door de hete stoffige straten, werd Jezus in de eetzaal gelaten en met een onverschillig gebaar wees Simon Hem zijn plaats aan het ondereind van de tafel. Die timmermanszoon moest zich vooral niet verbeelden dat Hij even voornaam was als de anderen. De maaltijd begon. De gasten lagen om de tafel op lange ruststoelen, steunend op een arm, de voeten achterwaarts gekeerd. Tussen al die rijke trotse mannen lag Jezus, even rustig en vriendelijk als eens toen Hij bij de tollenaars en zondaars in het huis van Matheus te eten was gevraagd. Hij wist hoe de andere gasten over Hem dachten maar Hij zweeg. Hun trots en hun minachting en ook de beledigende ontvangst van de gastheer deerde Hem niet. De schotels gingen rond. De wijn parelde in de bekers. De gesprekken kwamen los. En bij de open deuren verdrong zich het volk van de straat, om begerig te zien naar al die pracht in dit rijke huis. Dat was zo de gewoonte in het land: het volk mocht staan kijken bij de deur. Maar plotseling gebeurde er iets vreemds waar allen van schrokken. Een vrouw had zich door de mensen gedrongen kwam de zaal binnen wankelen en viel schreiend bij Jezus neer. Niemand begreep wat dat beteken moest maar Jezus begreep het wel. Hij wist dat deze vrouw diep ongelukkig was omdat ze veel kwaad gedaan had in haar leven. Zij was een zondares, die door ieder geminacht werd en gehaat. Maar nu had zij Jezus horen prediken in de stad en daarna had zij erg naar Hem verlangd, want zij geloofde dat Hij de enige was, die haar nog kon redden. Daarom had zij mirre voor Hem gekocht, een dure zalf in een albasten fles en zij was binnengedrongen in dit deftige huis, toen zij hoorde dat Hij hier was; zij kon niet anders, zij moest naar Hem toe. Nu had zij Hem gevonden en kon niet spreken van ontroering. Haar tranen, drupten op zijn voeten. Zij wilde ze afdrogen maar had geen doek. Toen droogde zij de voeten van Jezus met haar lange haren af en kuste die voeten telkens weer en zalfde ze met de zalf. Zo toonde zij haar berouw en haar liefde, zo toonde zij haar geloof in de Heiland.
Maar Simon en de andere Farizeeën zagen het verontwaardigd aan want zij kende die vrouw ook. Als ze haar ontmoetten op straat, gingen ze aan de overkant voorbij. Simon zou dat zondige schepsel niet aan zijn voeten hebben geduld… Hij zou haar hebben weggetrapt... En Jezus liet het toe Hij scheen niet eens te weten hoe groot de schuld was van die vrouw. Dan was Hij ook zeker geen profeet. Toen Simon zo ver was gekomen met zijn hoogmoedige gedachten zag Jezus hem aan en sprak: Simon Ik heb u iets te zeggen. De Farizeeën antwoordde uit de hoogte: Meester zegt het… Toen vertelde Jezus een verhaal. Hij zei: Een schuldeiser had twee schuldenaars; de een was hem vijfhonderd schellingen schuldig en de ander vijftig. Toen zij niet konden betalen schonk hij hun beiden. Wie van hen zal hem dan het meest liefhebben? O, dat wist Simon wel, dat was niet moeilijk. Hij antwoordde: Ik onderstel hij aan wie hij het meeste geschonken heeft. Jezus zei: Gij hebt juist geoordeeld. Maar toch bleek dat het verhaal niet een gewoon verhaal was geweest maar een gelijkenis; dat iets betekende. Jezus, keerde zich om naar de vrouw, die nog altijd aan zijn voeten lag en zei vriendelijk tot Simon: Ziet u deze vrouw?... Ik ben in uw huis gekomen; water voor mijn voeten hebt u Mij niet gegeven; maar zei heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt, en ze met haar haren afgedroogd. Een kus het u mij niet gegeven; maar zij heeft van dat zij binnen gekomen is, niet opgehouden mijn voeten te kussen. Met olie hebt u mijn hoofd niet gezalfd; maar zij heeft met mirre mijn voeten gezalfd. En terwijl de Farizeeërs van diepe schaamte zijn trotse ogen wel neer moest slaan ging Jezus voort: Daarom zeg Ik u: haar zonden zijn haar vergeven, al waren zij vele, want zij betoonde veel liefde; maar wie weinig vergeven wordt, betoont weinig liefde. Ja, weinig liefde had de Farizeeër Jezus betoond; heel, heel weinig… En weinig zonden had... Of moest zijn grootste schuld nog worden betaald?... Hij was die ene schuldenaar die van vijftig schellingen; hij was óók een zondaar, dat wilde Jezus hem zeggen. Hij moest óók vragen om vergeving. De vrouw had het gedaan; zij was die andere schuldenaar, die van de grote schuld. Maar groot waren ook haar geloof en haar liefde. En daarom zei Jezus tot haar: Uw zonden zijn u vergeven. Er was geen heerlijker woord mogelijk voor die vrouw. Een blijdschap, zoals zij nog nooit had gekend kwam in haar hart en aanbiddend bleef zij liggen aan de voeten van Jezus. Maar in de ogen van de gasten was schrik en ergernis. Wie is deze, dachten ze die ook de zonden vergeeft? Dat kan God alleen. Maar Hij zei tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede. Die vrouw ging heen overgelukkig. Zij was een andere vrouw geworden, zij ging een nieuw en rein leven tegemoet. Arm was zij gekomen, rijk ging zij heen. De andere schuldenaar zat nog bij Jezus aan tafel en hij kon nu weten wie Jezus was. Meer dan een profeet... Hoe vriendelijk hoe teer had Jezus hem behandeld. Als die rijke Farizeeër nu ook maar zijn armoede, zijn schuld wilde zien...
Suzan de Boe.